De voerman van weleer – Deel 2

Beelden van de Duitse landweg 186

Geschreven door August Topf.   In 1864 verschenen in Die Gartenlaube.

Vertaling en voetnoten: Willem van Putten

*******************************************************************************************************************************

Remmen

Omdat men in die tijd – tenminste op het gebied van voermanswerk – noch remblokken noch ankeruitrusting  kende, voerde elke koetsier twee bundels van ongeveer 5 cm dikke eiken- of jonge beukenstokken mee, die onder het frame van de kar werden bevestigd, zodanig dat ze, zodra de kar een berg of helling afreed, in de spaken van de wielen kwamen en door hun elasticiteit in staat waren om het voertuig te vertragen met een monotoon “clip-clip”. De naam van dit oude remmechanisme – “klippstecken” – is afgeleid van deze grappige muziek, die vaak werd versterkt doordat tien tot twintig karren achter elkaar reden. Zoals in het geval van de heuvel tussen Münden en Lutterberg, die door elke voerman werd gevreesd en deels bedekt was met stenen bestrating en deels met wilde rotsachtige stukken, werden ook aan weerszijden van de kar sleepbomen vastgemaakt, die voorkwamen dat de wielen snel draaiden.

Een voerman met zijn Hessenwagen in de bergen van Duitsland - Tekening: Johann Adam Klein(1792-1875)

Een voerman met zijn Hessenwagen in de bergen van Duitsland – Tekening: Johann Adam Klein(1792-1875)

Bovendien werden er in Lutterberg houten remblokken gemaakt, waarvan de herbergier (Elleritz) er één voor twee groschen  aan de koetsier verkocht. Als de laatste beneden op de berg aankwam, leverde hij de remblokken in bij de herberg. Hier werd gesorteerd: de remblokken die schade hadden geleden tijdens de gevaarlijke tocht, werden veroordeeld tot brandhout, maar die er uitzagen alsof ze een tweede ronde aankonden, hadden de eer om door de herbergier in een karretje weer naar boven gebracht te worden en opnieuw stuk voor stuk te worden verkocht voor twee groschen. Het was geen wonder dat er vaak binnen enkele dagen een karretje met nog bruikbare remblokken was verzameld tijdens de uiterst levendige passage. Soms waren al deze genoemde remmiddelen echter niet voldoende om de kar in bedwang te houden, dus moesten er vaak enkele paarden aan de achterkant van de kar worden vastgebonden, om op het beslissende moment door de “achterste voerman” te worden teruggestuurd om de kar tegen te houden.

Wanneer de kar tot stilstand kwam dienden twee steunen om de kar in evenwicht te houden; één van deze steunen was tijdens de rit horizontaal bevestigd aan het voorste deel van de linker vork van de dissel, terwijl de andere vrij hing aan de achterkant van de kar aan het verbindingsstuk van de twee karrenbomen. Boven op de disselstang lag een kleine zadeltas boven het zogenaamde voeder (het voer voor de paarden), van waaruit in vroegere tijden brede leren riemen, later kettingen, naar beneden liepen naar de dissel, waarmee ze verbonden waren door middel van zogenaamde schellen, sterke ijzeren ringen. Met behulp van dit mechanisme moest het dissel paard de kar overeind houden.

Het tuig was uiterst eenvoudig en sober. Wat werd gebruikt, was van ijzer; vroeger werden er geen touwen en andere onderdelen van het tuig gemaakt van hennep. De voerman gaf om verschillende redenen de voorkeur aan Lüneburger hengsten; men prees deze dieren omdat ze uiterst slim waren en uithoudingsvermogen hadden. Daarom waren de paardenmarkten in Uelzen in Hannover, later ook in Celle, altijd druk bezocht. Deze trekpaarden werden gekocht op drie- of vierjarige leeftijd en aan het begin van deze eeuw[1] werden ze al betaald met 12-16 pistolen[2] per stuk.

De Ulmer pijp - Wikipedia

De Ulmer pijp – (Wikipedia)

Het feit dat de Lüneburger paarden leerzame dieren waren, blijkt al uit het feit dat dezelfde voerman vaak tegelijkertijd 4-6 beladen karren voorttrok, waarbij de aanspanningen die de eerste kar volgden, zonder speciale leiding waren, zolang de weg het toeliet. Op moeilijkere plekken moest de voerman elke kar individueel verder trekken. Maar als de weg en het pad redelijk waren, liep de voerman rustig voor de voorste merrie uit, terwijl machtige rookwolken uit een Hollandse kleipijp, of uit een met zilver beklede Ulmer pijp, en later zelfs uit een meerschuimkop, voor hem uit dampten. Hij droeg een driekantige hoed, bijgenaamd driemaster[3], op zijn hoofd en zwaaide met de Alfelder zweep[4] in zijn rechterhand naar de merrie achter hem. Wie had toen kunnen bedenken dat later een heel andere pijp en heel andere rookwolken voorop zouden gaan aan de te vervoeren vrachtgoederen!

Noten:

[1] De 19e, dus!

[2] In Duitsland werden in de 18e en het begin van de 19e eeuw gouden munten ter waarde van vijf Talern zoals de Friedrich d’or, pistolen genoemd. De naam stamt waarschijnlijk van de Spaanse term pistola voor “muntplaatje”. Een Taler of Thaler was een zilveren munt met een gewicht van 22,272 g.

[3] De driekantige steek, ook wel driekantige hoed of tricorne, is een hoed die populair was in de 18e eeuw.

[4] Vermoedelijk een z.g. gesel, een kortere zweep met meerdere strengen van Maßholderhout[1], en ze werden verkocht voor 6-7 Mariengroschen per stuk. De zadelmaker omwikkelde het handvat en het bovenste deel van de zweepsteel met leer. In Alfeld in Hannover worden al sinds lange tijd de gedraaide zwepenstelen gemaakt

[1] Spaanse aak of veldesdoorn (Acer campestre)

Frammersbacher voerman[1]

De kleding van de voermannen bestond uit korte zwarte leren broeken, waar lange blauwe of witte linnen kousen tot onder de knie aan vastzaten. Zware, grove schoenen bedekten de voeten. In de winter boden zogenaamde halflange beenkappen bescherming tegen de kou. Daarnaast droeg de voerman over het lange vest, versierd met een indrukwekkende rij grote verzilverde knopen, en de wollen blauwe jas of korte jas een lang wit schort, waarvoor de vrouw thuis op lange winteravonden in haar eenzaamheid zelfgemaakt vlas spon. Het spreekt voor zich dat de vrouw van de voerman deze schorten zelf naaide, waarbij ze nooit vergat om de voornaam, achternaam en woonplaats van haar “Herr”, zoals ze haar echtgenoot noemde, aan de buitenkant van de plek die de borst bedekte, met rode draad in enigszins strakke letters aan de wereld te tonen[2]. Tot slot bood een gestreepte katoenen schort nog enige bescherming tegen vocht en kou.

Muurschildering van een Hessenvoerman op een huis in Frammersbach - Foto: ©Louis Fraanje

Muurschildering van een Hessenvoerman op een huis in Frammersbach – Foto: ©Louis Fraanje

Benodigdheden

Zijn geld, dat natuurlijk uit klinkende munten bestond, en zijn portemonnee bewaarde de voerman in een lange geldkat[3], die hij om zijn buik vastgesjord onder zijn jas droeg en ook ‘s nachts op het stro hield, terwijl hij in zijn linkerbroekzak een leren geldzakje verborg om de kleine uitgaven overdag te betalen. Uit zijn rechterbroekzak glinsterde echter, telkens wanneer zijn jas werd opgetild, een met zilver bekleed bestekmes en -vork tevoorschijn, waar de voerman altijd gebruik van maakte bij het eten van zijn “mondportie”.

Een rugzak bevatte alles wat de voerman nodig had tijdens de reis: enkele hemden en sokken, priemen, naald en draad, papier, geld en het later te bespreken reishandboek, het ontbijt, een in een houten doos bewaard potje bergolie of zogenaamde stinkende balsem, gekocht van mensen uit Lausitz op de Leipziger Messe voor het geval dat een paard geblesseerd zou worden; later ook een flesje Salzunger Tropfen[4], dat voor de voerman gold als een universeel medicijn “en erg goed was”; zelfs de geldkat moest een plekje vinden in de rugzak als de voerman zich niet lekker voelde, want in dat geval werd de rugzak aan de waard gegeven om te bewaren. Het gereedschap – hamer, tang, spijker en hoefijzer – werd bewaard in een aparte leren zak.

Onze oudere lezers zullen uit eigen ervaring weten hoe slecht nog maar enkele decennia geleden de wegen en paden waren, vooral in wat afgelegen gebieden. Ze waren zo slecht dat een karrenvoerder slechts enkele mijlen per dag kon afleggen, soms zelfs maar enkele uren. Het kwam vaak voor dat hij pas laat in de avond de volgende herberg of het volgende dorp kon bereiken.

Noten:

[1] Voermannen waren gerechtigd bewapend te zijn met een zwaard, ook in Nederland

[2] Je zou dit de eerste verschijning van het firma logo kunnen noemen!

[3] De geldkat uit de 19e eeuw is een tas gemaakt van leer, genaaid als een buis en aan beide uiteinden gesloten, maar meestal gebreid of gehaakt. Aan de lange zijde bevindt zich een langwerpige gleuf. Als deze buis over de band wordt gehangen, ontstaan ​​er twee zakjes waarin het geld wordt opgeborgen. De tas kan buiten of binnen je kleding gedragen worden. Doordat de gleuf aan de lange zijde zit die boven de band ligt, kunnen de munten niet per ongeluk verloren gaan. Vaak werden er ook nog twee metalen ringen als sluiting aan bevestigd. Om te betalen wordt de kat van de band gehaald. (Wikipedia)

[4] Een effectief middel tegen gastro-intestinale stoornissen gecreëerd door Dr. Sulzberger. Tot na WW2 verkrijgbaar.

Lees ook: De voerman van weleer – Deel 3

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2024/04/16/de-voerman-van-weleer-deel-2/