De dilemma’s van een natuurbeheerder – Deel 9

Besturen en bijsturen

Door ‘overmatig’ gebruik dankzij een (te) hoge wildstand raken dekkingsbossen ‘uitgeleefd’. Ze zijn een keer aan vervanging toe. Omdat er veel hapgrage mondjes in de buurt zijn, ontkom je er als beheerder niet aan nieuwe aanplant met een raster onbereikbaar te maken. Zo’n ingreep moet wel bijtijds plaatsvinden.

Niet het vele is goed…

Hoeveel je er ook van instelt en hoe groot je de rustgebieden ook maakt, er komt een dag dat het bos daarin oud en doorzichtig wordt en geen beschutting – en in het ergste geval ook te weinig of geen voedsel – meer biedt. Roodwild dat zich overal bespied weet door opdringerige, nieuwsgierige aagjes pakt zijn biezen en gaat op zoek naar een plaats waar het wel voldoende rust kan vinden. Voedsel is van ondergeschikt belang. Alles draait om veiligheid. Geef de edelherten eens ongelijk, wanneer ze verstoringsgevoelig gebied (open door- en inkijkterrein) verruilen voor loofbos, waar het lichtspel van zon en schaduw voor prima camouflage zorgt en waar sappige blaadjes de wereld aan lekker voedsel betekenen.

Camouflage voor de veiligheid en volop eten; wat wil je als hinde nog meer? – Foto: Yvonne Arentzen

Camouflage voor de veiligheid en volop eten; wat wil je als hinde nog meer? – Foto: ©Yvonne Arentzen

Onbegonnen werk

De boswachter die de scepter zwaait over een extensief beheerd loofbos zit niet te wachten op een invasie van roodwild. Binnen de kortste keren is de spontane bosverjonging compleet weggevreten. Zijn pleidooi voor een (fors) lagere wildstand om de graasdruk terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau is volkomen terecht. Dan heeft hij het wel over een wildstand van hooguit twee dieren per 100 ha. Op De Hoge Veluwe was het een groot probleem (lees: onbegonnen werk) dat voor elkaar te krijgen bij de volgende voorjaarsstanden:

  • 250 edelherten (5 per 100 ha)
  • 200 moeflons (4 per 100 ha)
  • 40 – 50 zwijnen (ongeveer 1 per 100 ha)

In deze opsomming zijn de reeën ‘buiten schot’ gebleven. Ook zij oefenen echter invloed uit op de vegetatie en de natuurlijke verjonging. Bovendien gaat het hier om voorjaarsstanden; kalveren, lammetjes en biggen zijn dan nog niet geboren. ‘s Zomers zijn er dus meer dan gemiddeld 10 stuks grofwild per 100 ha!

Het gaat hier nog om de voorjaarsstand… - Foto: Anja Arentzen

Het gaat hier nog om de voorjaarsstand… – Foto: ©Anja Arentzen

Rekenmodel is geen realiteit

Onderzoekers van de Landbouw Universiteit Wageningen hadden in 1988 uitgerekend, dat er op De Hoge Veluwe ruim voldoende voedsel groeide voor veel meer dieren dan de toenmalige stand. Het aantal edelherten mocht in 1994 best 300 dieren bedragen, want de voedselvoorraadkast was in ruime mate gevuld met bochtige smele, een grassoort die vooral op open vlakten groeide. De edelherten zouden samen met de moeflons volgens het Wageningse rekenmodel al grazend een ‘actief maaibeleid’ voeren, waardoor de open terreinen echt open zouden worden.

Zelfs bij zomerse temperatuurwaarden zorgen moeflons voor actief maaibeleid – Foto: Yvonne Arentzen

Zelfs bij zomerse temperatuurwaarden zorgen moeflons voor actief maaibeleid – Foto: ©Yvonne Arentzen

Gewenste voorjaarsstand

Voor het Park was het erg sneu, dat het roodwild niet van plan was zich voor deze klus te lenen. Het hield zich liever op in bossen om daar te kust en te keur snoeiwerkzaamheden te verrichten. De Hoge Veluwe besloot de rigoureuze aanpak van de edelherten tot normalere proporties terug te brengen door de wildstand te verlagen. De gewenste voorjaarsstanden werden eind 1993 bepaald op:

  • 200 edelherten (4 per 100 ha)
  • 150 moeflons (3 per 100 ha)

 

Verdeel en beheer(s)

Wanneer in kwetsbare terreingedeelten een lage wildstand noodzakelijk is om schade te voorkomen en je als natuurbeheerder alleen al vanwege inteeltgevaar niet kunt tornen aan de populatiegrootte (minimaal 160 edelherten en 125 moeflons) ontkom je er niet aan wild ongelijkmatig over het gebied te verdelen. Hoe pak je dat aan met wildstanden die de gemiddeld twee dieren per 100 ha al (ruimschoots) te boven gaan?

Reeën laten zich niet sturen; zij verdelen op eigen houtje hun leefgebied in territoria. Zwijnen zijn eigenlijk een zooitje ongeregeld. Oude keilers zijn erg op zichzelf en leven solitair. Bagges, frislingen en overlopers vormen een verhaal apart; ze leven in groepjes of groepen van verschillende grootte en leiden een min of meer zwervend bestaan. Zijn ze op één plaats verstoord, houden ze het daar een poosje voor gezien en nemen elders hun intrek. Dan is het al met al lastig sturen en verdelen.

Zijn zwijnen verstoord, zoeken ze elders hun toevlucht – Foto: Yvonne Arentzen

Zijn zwijnen verstoord, zoeken ze elders hun toevlucht – Foto: ©Yvonne Arentzen

Broodnodige rust

Edelherten en moeflons leven in (soms grote) groepen. Met bestanden van 200 edelherten en 150 moeflons heb je zonder meer al een veelvoud van twee dieren per 100 ha. Moeflons zijn zwervers; ze trekken tegen de wind in of met halve wind. De mens kan de wind niet sturen en de moeflons dus ook niet.  Dan zijn edelherten eigenlijk de lieverdjes onder het grofwild. Geef je hun een plek waar ze zich veilig voelen en hebben ze het er naar hun zin, dan willen ze daar wel blijven – graag zelfs. Maar wanneer hun rust telkens verstoord wordt, gaan ze zich gedragen als ongeleide projectielen; ze trekken desnoods net zo lang van hot naar her tot ze ergens wel de broodnodige rust vinden.

Waar het zich veilig weet, gedraagt roodwild zich vertrouwd – foto: Yvonne Arentzen

Waar het zich veilig weet, gedraagt roodwild zich vertrouwd – Foto: ©Yvonne Arentzen

Lees ook: De dilemma’s van een natuurbeheerder – Deel 10 – Slot

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2020/07/15/de-dilemmas-van-een-natuurbeheerder-deel-9/