De Veluwenaars – Deel 3 –

VeluwenarenknopDeel_2

 

 

 

Verlenging van de leerplicht vindt uiteraard bij de boerenstand niet veel instemming en het is tekenend, wat een hoofdonderwijzer, die jaren onder de boeren woonde, ons vertelde.

 

Hij klaagde er b.v. steen en been over, dat de ouderavonden zo slecht bezocht werden en dat – naar zijn mening – degenen, die nog op ‘t appèl verschenen (het waren er slechts enkelen uit de onmiddellijke omgeving), dit deden vanwege de sigaar en de gratis kop koffie.

Belangstelling voor het onderwijs en de vorderingen van de kinderen was er (in ‘t algemeen gesproken) volstrekt niet. Toen evenwel het zevende leerjaar ingevoerd ‘dreigde’ te worden, wat dus betekenen zou, dat de boer nog een jaar langer zijn twaalf of dertienjarige spruiten zou missen bij het werk op de boerderij, verschenen op de eerstvolgende ouderavond alle, letterlijk alle ouders van de schoolgaande kinderen om van deze gelegenheid gebruik te maken en ‘meester’ te vragen of die nu niet eens een fikse brief zou willen schrijven aan de regering… Want ‘dat gaot toch niet an, de kiender nòg al een jaor langer op de schoôlbanken! Ze leren in zes jaor zàt – en we kunne ze tuus wel beter gebruuke…’

Als de kinderen zo oud geworden zijn, dat ze langzamerhand aan vrijen en trouwen beginnen te denken, ontstaat er nieuwe bezorgdheid bij de ouders. Een huwelijk toch betekent doorgaans verlies van een goedkope – want onbetaalde – arbeidskracht! ‘Net as je zoo’n bietje van de kiender begint te trekken, wille ze gaon trouwe’ klaagde een huisvader eens tegen ons. Dat ‘beginnen te trekken’ spreekt weer boekdelen!

Bezwaren werden dan ook dikwijls ondervangen door het jonge paar bij de ouders van een van beide te laten introuwen. Gedwongen huwelijken komen nog heel wat voor, enerzijds wellicht als gevolg van het feit, dat de boer dichter bij de natuur staat, minder beheerst is en gewoonlijk niet met knoeierijen omgaat. Anderzijds dient men het overgeërfde devies: ‘Koop geen kat in de zak!’ niet te laag aan te slaan.

De actie van verschillende predikanten, die weigerden dergelijke huwelijken te sluiten, indien niet voor de gemeente openbare schuldbelijdenis was gedaan, heeft natuurlijk wel enig effect gesorteerd, al moet men daar niet al te optimistisch over zijn.

Met de vrijerij – wij stippen dit en passant aan – gaat het al even boers toe als met vele andere dingen, ofschoon u niet denken moet, dat de boerenzoons nog steeds zo timide en zwijgzaam zijn als in het bekende geval van de landbouwer, die uren met zijn uitverkorene hand in hand zat zonder een woord te uiten, als maar zuigend op een zwarte sigaar om dan uiteindelijk de spraak hervindend en het smokende peukje vlakbij de arm van zijn beminde brengend, te vragen: ‘Zâ ‘k joe es braande…?’verliefd_stel_op_de_fiets

Nee, zó zijn de boerenzoons van de Veluwe niet meer, als ze zich op het liefdespad begeven! Ze maken graag grote fietstochten op vrije dagen, elkaar teder bij arm of schouder vasthoudend, ze drinken zich gaarne een imitatieroes aan champagnepils en ‘s avonds vlijen ze zich samen neer achter de donkere houtwal of in de hooiberg om het afscheid te vieren. Eeden van eeuwige trouw worden daarbij niet gezworen: het is een vrijage, ruw en eerlijk, zoals dat bij hun aard past.

Nog altijd vinden de boerenjongens het niet prettig, dat een vreemde (dat kan al iemand uit een andere buurtschap zijn) met een meisje uit hun omgeving vrijt. Wel ontstaan daardoor niet meer de messengevechten, die vroeger schering en inslag waren, maar als men de verliefde jongen een hak kan zetten door b.v. zijn fietsbanden leeg te laten lopen of de fitting uit zijn lantaarn te draaien, past men deze wraakmaatregel onherroepelijk toe.
Gelderland_VanDerVen
Aangaande het bekkesnijden en andere bloedige tonelen, die zich vroeger bij bepaalde gelegenheden afspeelden (bijvoorbeeld bij het schapenwassen en -scheren, bij paarden- of veemarkten, op lotingsdag of Dolle Donderdag) kunnen wij hier verder zwijgen, onder verwijzing naar ‘Gelderland’, van D.J. van der Ven – Amsterdam, 1918)

Niet alleen over ruige vechtpartijden leest u daar, maar u komt ook wat te weten over het karakter van de eekschillers en kolenbranders, die mede behoorden tot het oeroude Veluwse volk, u leert er de gulheid en vriendelijkheid kennen, die de eenvoudige Veluwenaar bewijst aan hem, die zijn vertrouwen weet te winnen.

De schilders, die bij Elspeet en Garderen rondzwierven, zouden ons daarvan kunnen vertellen, want hoewel zij mijlenver in levensbeschouwing en ontwikkeling verwijderd stonden van deze primitieve boeren, konden zij vrijelijk bij hen in- en uitlopen, zaten zij mee aan bij de eenvoudige maaltijd en was er dikwijls sprake van een ware, hartelijke vriendschap.

Over het huwelijk willen wij nog opmerken, dat precies als in andere kringen, men bij de boerenstand zeer ongaarne ziet, dat zoon of dochter een partij doen, welke als minder gesitueerd staat aangeschreven dan zij zelf. Geld trouwt met geld en de zoon van de keuterboer heeft praktisch gesproken geen schijn van kans bij de dochter van de grootboer. In ‘t algemeen komen er weinig slechte huwelijken voor, ook al omdat gevoelsfactoren niet van overwegende aard zijn. Echtscheidingen zijn zeldzaam en als het gebeurt, uit het misnoegen van de buurtschap zich in een demonstratieve vijandigheld.

Rang en stand (de grenzen worden niet zo laatdunkend en domverwaand getrokken als in dorp en stad) worden door het geld- of grondbezit bepaald en een boer begint in de ogen van anderen pas wat waard te worden, als hij een paard kan houden. Heeft hij het eenmaal zover gebracht, dan verkoopt hij ook liever zijn ander vee dan dat hij ‘de bruûn’ of ‘de bles’ d’r weer uitdoet. Ook weer echt Germaans: die liefde voor het edele ros! Als een boer moeilijk anders kan, wil hij bij gelegenheid zijn paard wel uitlenen om een ander van dienst te zijn, maar… dan leent hij zichzelf er bij uit.

De Veluwenaar bezit absoluut geen sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel. Reeds van oude tijden af woonde hij op zichzelf, nièt tot dorpen verenigd zoals dat in andere gewesten soms plaats vond. Onze boer is dan ook niet, wat men noemt, een ‘gezellig beestje’; hij blijft graag ‘op z’n eigen’, hij voert alles uit naar eigen inzichten of zoals hij ‘t van zijn vader leerde. Hulp van anderen roept hij niet in of het moet dringend noodzakelijk zijn; kan hij ‘t alleen af, des te liever.
dorsmachine
Natuurlijk bracht de tijd hier zijn correcties aan.
Om een enkel voorbeeld te noemen: het dorsen, dat vroeger met de vlegel gebeurde, vindt thans overal machinaal plaats en het is dan gewoonte elkaar over en weer in de buurt te helpen, omdat de huur van de machine gezamenlijk wordt betaald en er vele handen nodig zijn.

Bij het verhuizen (de Veluwenaar doet dit niet graag en hij stelt er een eer in te kunnen vertellen, dat zijn familie nu al meer dan honderd jaar op dezelfde plaats woont!) kent men noch het halen noch het brengen; wanneer hulp nodig is, moet deze gevraagd worden. Het geven van vergoeding voor deze bijstand is niet zeldzaam.

Indien er iemand in de buurtschap sterft, zijn de drie naaste buren aangewezen voor het vervullen der overlijdensplichten. Het doen van aangifte op de gemeentelijke secretarie, het aanzeggen in de buurt, het afleggen, kleden en kisten wordt door hen (en hun vrouwen) verzorgd, maar dikwijls treft dit driemanschap onderling een schikking, waarbij één hunner alles bereddert. De twee anderen moeten voor hun vrijstelling betalen, hoe minder hoe liever natuurlijk.

Enkele malen hebben wij het in de buurtschap De Valk (bij Lunteren) meegemaakt, dat de drie naaste buren tot het treffen van bedoelde overeenkomst bij elkaar kwamen, elk voorzien van een toegevouwen briefje, waarop zij het bedrag gekrabbeld hadden, waarvoor ze alles in orde wilden maken. Wie bij deze merkwaardige aanbesteding het laagst inschreef, was natuurlijk de man!

Dat er van de oude burenplichten op deze manier weinig overbleef, behoeven wij niet nader uiteen te zetten.

Eveneens zeer sporadisch komt het nog maar voor, dat de boeren, zoals zij daar vroeger een eer in stelden, de dominee en de meester in volle gulheid bedenken van hetgeen akker en hof opleveren.

Als om strijd (misschien was er inderdaad een zekere concurrentie in het spel) voerden zij eieren, worst en zelfbereide kaas aan en in de lente zetten zij de tuinen bij de pastorie en het meestershuis stevig in de mest. Tegenwoordig loopt het niet zo hard met die gaven in natura, waaraan het feit niet vreemd zal zijn, dat predikanten en onderwijzers, nu zij een minder sjofel bestaan genieten dan vroeger, bij de boer bekend staan als heren, die ‘hoge trakkemente’ verdienen.

Daarenboven geloven wij ook, dat dominee en meester vroeger meer boer waren met de boeren en zij dichter bij elkaar stonden.

Wanneer wij de uitzonderingen daar laten, behoort de Veluwse bevolking tot het meest orthodoxe deel van onze natie. De ene streek mag dan ietwat minder ‘zwaar’ zijn dan de andere, over het geheel genomen is de plattelandsbewoner godsdienstig en kerks.
OudHoekjeDerVeluwe
Het zou dwaasheid zijn te doen voorkomen alsof de religie voor hen allen ook een zaak van het hart is; overlevering en traditie spreken hier een hartig woordje mee. In het aardige boekje ‘Een oud hoekje der Veluwe’ zegt wijlen Mr. C.A. Nairac, oud-burgemeester van Barneveld reeds: “Heeft bespiegeling over godsdienstige vraagstukken ook het godsdienstig léven ontwikkeld? Wij oordeelen niet: “er is slechts Eén die de harten kent en de nieren proeft.” Dit mogen wij althans vermoeden, dat bij sommigen de vreeze der straffende Godheid afhoudt niet alleen van kwade neiging, maar zelfs dwingt tot het goede.”

Zoals in de meeste andere orthodoxe streken krijgen predikanten, die gezangen laten zingen, gewoonlijk geen kans hier beroepen te worden, de kerkeraad is veelszins oppermachtig en het zou ons niet moeilijk vallen plaatsen te noemen, waar de herder en leraar gedurende lange jaren een moeilijken, zenuwslopende strijd te voeren had tegen de vastgeroeste begrippen en barse opvattingen van zijn kerkbestuur. Dikwijls wordt meer op de letter dan op de geest van de wet acht geslagen.

De predikant, indien hij een man is van ‘singuliere’ gaven, geniet overigens nog alle aanzien en als wij zien, hoe in een naburig dorp tijdens de driemaal daags herhaalde prediking op Zondag het kerkgebouw telkens weer stampvol is, beseffen wij, dat hier een dominee staat, die naar het hart der boerenbevolking is.
Collecte-schaal
De offervaardigheid bij collecte (open schaal!) en door gaven in natura is buitengewoon en vindt wellicht voor een deel haar verklaring in het feit, dat deze eenvoudige, ongeletterde predikant zijn gehoor op een bijzondere wijze weet te pakken.

Zijn prediking is gedeeltelijk dialect en al is hij niet op de Veluwe geboren, de boeren beschouwen hem als een der hunnen; de omstandigheid, dat hij het Opperwezen aanspreekt met jij en jou wordt niet als een gemis aan eerbied gevoeld, maar eerder als een innige gemeenzaamheid met God.

De boeren begrijpen die eenvoudige taal, deze onbestudeerde uitdrukkingswijze en toen wij eens een avondgodsdienstoefening meemaakten in een der buurtschappen, waar gepreekt werd op de boerendeel, waren wij onder de indruk van de ernstige aandacht der toehoorders.

Wat een sfeer en stemming had deze samenkomst: de zwarte, strenge gestalte van de dominee, scherp zich aftekenend tegen de gewitte, lage muur, de boeren en boerinnen de grote deelruimte vullend en gezeten op banken of stoelen, de kinderen een plaats vindend op de hild…

Nu en dan klonk uit den paardenstal het doffe gestamp van hoeven, een koe schuurde van tijd tot tijd de machtige nek tegen de gladde palen van de repels, op de oude wanmolen zat een roodbonte kat filosofisch naar deze pastorale te knipogen…

De opvattingen van deze boeren, behorend tot de Gereformeerde Gemeente, wijken in verschillende opzichten af van die der Nederduits Hervormden en Gereformeerden. Bekend is bv. dat zij zich niet willen verzekeren tegen brand of anderszins; voorts zijn zij overtuigde tegenstanders van vaccinatie.

Zegt een andere boer: ‘Wij hebben het recht, ja – op ons rust de plicht de middelen te gebruiken, die ons geschonken zijn om ons te vrijwaren tegen de gevolgen van ongeluk en ziekte’, zij huldigen meer de stelregel, dat het kwaad gezonden wordt als een straf voor de zonde, waartegen het niet past met allerlei handigheden een dam op te werpen en de gevolgen op ‘slinkse’ wijze te ontlopen.

Het curieuze geval deed zich meermalen aan ons voor, dat een boer, die zijn kinderen uit principe ongevaccineerd liet, wèl de veearts liet komen om zijn varkens in te enten met een serum tegen vlekziekte, e.d.

Wij kunnen verder ten plattelande, wanneer wij het oor goed te luisteren leggen, telkens constateren hoe hier vermengd met de godsdienst, nog allerlei resten van oude magie voortleven. Om folkloristische gegevens te verzamelen brachten wij gedurende onze gesprekken met de boeren, als wij ‘s wintersavonds met hen ‘op d’n heerd’ zaten, graag het onderwerp spoken, ‘veurschiensels’, weerwolven, het belezen e.a. te berde.

Bij een zeer godsdienstige, ouderwetse familie hing onder in de wijde schoorsteen een flesje, gevuld met… urine. De boer vertelde glimlachend, dat hij er natuurlijk niet aan geloofde, maar dat zijn vrouw nog altijd beducht was voor toverij e.d. Daarom had zij daar dat flesje, gevuld met ‘eigen water’, in de schoorsteen opgehangen. Het was een probaat afweermiddel en beschermde huis en haard tegen het binnendringen van boze invloeden…

water scheppenEen tachtigjarige landbouwer van de oude stempel ging ieder jaar in de Paasnacht naar de Barneveldse beek om daar stromend water te scheppen. Hij bewaarde dat, goed afgesloten, in het kabinet, want bij oogziekten e.d. gold het als een heilbrengend middel.

Hier hebben wij een duidelijk overblijfsel van het oeroude geloof, dat in de heilige Paasnacht de goede aardgeesten rondgaan en het water van stromen, beken en bronnen een wonderdadige kracht bezit.

Wordt het ons niet wonderlijk te moede en gaan de gedachten niet op verre, vèrre wegen als wij bedenken, dat de nieuwste ontdekkingen der biologische wetenschap aantonen, hoe het stromende d.i. levende water omstreeks die tijd een veel grotere magnetische kracht bezit dan in het overige deel van het jaar?

Wij zouden dan gevoeglijk kunnen zeggen, dat dit oude bijgeloof geen ‘bijgeloof’ is in de gebruikelijke zin van het woord maar oeroude, overgeleverde wijsheid! Vele gesprekken hebben ons doen inzien, dat de heugenis aan die oude dingen, welke dikwijls heidens van oorsprong genoemd worden, nog lang niet verdwenen is en het is zelfs de vraag of dit wel ooit het geval zal zijn.

Dikwijls vroeg men ons of de boer, die dag in dag uit verkeert te midden van de natuur, van akkers en weiden, bossen en heide, ook oog heeft voor het schone van die omgeving. Wie altijd temidden van die schoonheid leeft, ziet haar ànders dan degene, die er nu en dan kennis van neemt. Bovendien heeft het landschap voor de boer een geheel andere waarde dan voor de toerist.

Het verschaft hem zijn noodzakelijk levensonderhoud en hij spreekt slechts met ingenomenheid over mooie akkers, als het gewas er veelbelovend voorstaat; de bebloemde, bonte weide schat hij naar de hooiopbrengst en ‘t bos naar de goede palen of bergroeden, die het bevat.

Genoeglijk kuiert hij alleen of met de vrouw op Zondagmorgen of middag tussen de korenvelden door en er is dankbaarheid jegens het Opperwezen, dat Zijn genade zo zichtbaar uitstort in die goudgele rijkdom rondom! Maar of deze zelfde boer oog heeft voor de snelverlopende schaduwen, die de wind tovert in de arenzee, voor een bijzondere lichtval, een schilderachtig karrenspoor, een bizar gevormde boom, wij betwijfelen het.

Wèl staat vast, dat de boer lichamelijk en moreel de invloed van de natuur, de stimulans der seizoenwisselingen, de inwerking der kosmische krachten ondergaat èn – zelfs méér dan iemand anders.

Om iets daarvan te begrijpen moet men met deze mannen en vrouwen ‘s avonds rond de voorvaderlijke haard gezeten hebben, als het knetterende vuur zijn gouden haken slaat om de zwartberookte ketel, de sneeuwstorm stommelt daarboven in de duistere schoorsteen en in de winterse intimiteit van de hoeve de vertrouwelijke gesprekken gaan nu eens over de alledaagse dan weer over de ernstige, heilige dingen des levens.

Zomer-OnweerMen moet deze mensen gezien hebben in hun kleinheid en afhankelijkheid, met bezorgde gezichten samenschuilend in het kleine bakhuis of in een lage veldschuur, als het zomeronweer met ontzagwekkend geweld van bliksemvuur en plasregen over de landen vaart… Dan hurken zij neer met van ontzetting grote ogen, dan leeft in hun harten dezelfde vrees die ook in verre voortijd de oermens bevangen zal hebben, maar… als de dondervlaag in hevigheid mindert, zal een stille, behoedzame stem, zich de woorden herinnerend van de Psalmist, onder hoofdgeknik der anderen zeggen: ‘Dat is de majesteit Gods…! ‘s Heren stem op ‘t hoogst geducht, rolt en klatert door de lucht…’

Jac Gazenbeek | 1937

 knopDeel_4

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/01/27/de-veluwenaars-deel-3/