Huisje, boompje en een beestje

Verwonderen in bos en veld…

Ja natuurlijk… het kan zomaar ineens gebeuren dat je ergens aan de bosrand je broodje aan het opeten bent en dan ineens zit er een ‘beestje’ op je mouw. Een klein ‘wondertje’ der natuur, iets dat je hart dan sneller laat kloppen, zo klein en zo gaaf, dat overkwam ons een tijdje geleden ergens op de Veluwe!

 Het kleine schepseltje wordt van onder tot boven bekeken - Foto: ©Fransien Fraanje

Het kleine schepseltje wordt van onder tot boven bekeken – Foto: ©Fransien Fraanje

Klein schepseltje

Tja… dan is gelijk de interesse gewekt en laat je het prachtige insect maar even op je hand zitten en over je vingers lopen, om het kleine schepseltje van alle kanten te kunnen bekijken.
We zijn ook maar gewone natuurliefhebbers en zeker geen experts op het gebied van de insecten, maar dat wil nog niet zeggen dat het onze interesse niet heeft, zeker wel.

Zo klein en toch zo bijzonder - Foto: ©Fransien Fraanje

Zo klein en toch zo bijzonder – Foto: ©Fransien Fraanje

Grote ribbelboktor

Nadat we het beestje van onder tot boven bekeken hadden, rees de vraag: “Wat is het voor insectensoort?” Dat het een boktor moest zijn, daar waren we al snel achter, maar welke soort, want ook hiervan zijn er verschillende soorten.

Tja... en dan sta je zomaar 'oog in oog' en lijkt het opeens een beetje eng - Foto: ©Fransien Fraanje

Tja… en dan sta je zomaar ‘oog in oog’ en lijkt het opeens een beetje eng – Foto: ©Fransien Fraanje

Vier soorten

In Nederland komen vier soorten boktorren voor uit het geslacht Rhagium, waarvan drie soorten, de Bonte ribbelboktor (Rhagium bifasciatum), Grijze ribbelboktor (Rhagium inquisitor) en Geelzwarte ribbelboktor (Rhagium mordax) algemeen zijn.

Zo zit er dan ineens een 'beestje' op je mouw, een klein 'wondertje' der natuur... iets dat je hart dan sneller laat kloppen, zo klein en zo gaaf! - Foto: ©Fransien Fraanje

Ineens zit er een ‘beestje’ op je mouw, een klein ‘wondertje’ der natuur… zo klein en zo gaaf – Foto: ©Fransien Fraanje

Zeldzaam

De Grote ribbelboktor is echter zeldzaam in Nederland. Het huidige voorkomen is beperkt tot de Veluwe ten westen van Apeldoorn. Buiten Gelderland zijn er alleen waarnemingen uit Limburg bekend (Teunissen, 2009). Tot 1965 is de soort regelmatig in het zuidoosten van Limburg gezien, ondermeer bij het Vijlenerbos. Op 6 mei 1970 en op 22 mei 1972 is ze in Susteren waargenomen. Er is slechts één recente vondst uit Limburg bekend, van 10 juni 2006 uit het Hoge Bos bij Elsloo (schriftelijke mededelingen Dré Teunissen en Ed Colijn, EIS Kenniscentrum Insecten). De larven van de Grote ribbelboktor leven onder de schors van dood loofhout. Hierbij gaat de voorkeur uit naar eiken, maar de aanwezigheid van larven is ook bekend van een groot aantal andere boomsoorten.

Verpopping

In staand dood hout leven de larven onder dikke schors dicht bij het maaiveld of ondergronds in de wortels; ze komen echter ook voor in boomstronken en liggend dood hout. De larven vreten circa twee centimeter brede gangen in de bast. Deze zijn gevuld met zaagsel en uitwerpselen. De verpopping vindt in de herfst plaats in het cambium (een dunne cellaag tussen de bast en het hout die voor de (dikte)groei van de boom zorgt) of in de dikke bast dichtbij of onder het grondoppervlak.

Zo zien de poppenwiegjes eruit op een dennenstam! - Foto links: ©Erik Gruys en rechts ©Susan Bol 

Zo zien de poppenwiegjes eruit op een dennenstam! – Foto links: ©Erik Gruys en foto rechts: ©Susan Bol

Poppenwieg

De larven bouwen hiervoor een poppenwieg die uit een ovale ring van houtspaanders bestaat. De volwassen kevers overwinteren onder de schors in de poppenwieg en worden pas in het volgende voorjaar actief, vanaf mei tot in juli.
De larvale ontwikkeling duurt meestal twee, soms drie jaar (Bílý & Mehl, 1989; Ehnström & Holmer, 2007; Teunissen, 2009). Dode bomen zijn gedurende een relatief korte periode geschikt voor de soort. Mits er voldoende bast aanwezig is, lijkt het erop dat op zijn minst een paar generaties kevers van dezelfde broedboom kunnen profiteren (Ehnström & Holmer, 2007).

Bron: Natuurhistorischmaandblad – Met dank aan Susan Bol en Erik Gruys voor de foto’s!

*******************************************************************************************************************************

Extra toelichting door Erik Gruys

Er zijn soortverschillen voor wat betreft boomvoorkeur van de boktorren!

Wij hadden die wiegjes op dode dennenbomen en op stammen van gevelde dennenbomen en het ging waarschijnlijk om een andere boktorsoort dan die u had, namelijk de grijze ribbelboktor = dennenboktor. Dat is niet de grote ribbelboktor.

Het woord poppenwieg is algemeen in gebruik voor de ruimte waarin een kever/tor zich verpopt. De larve maakt geen spinsel, maar gebruikt aanwezig vezelmateriaal en excrementen.
De verpopping van onze boktorren vindt plaats in de herfst. De tor blijft de gehele winter wachten tot het voorjaar en warm weer.

Bijgaand sluit ik twee foto’s in:

Foto 1.  Jonge larven op een stuk dennenstam waarvan ik de schors afgetrokken had. Gemaakt op 30-januari.

Foto 2.  Een dikke dennentak met juist in de schors een ruimte met een grote larve en een poppenwieg met daarin een grijze ribbelboktor (= dennenboktor). Gemaakt op 5-oktober.

(1) - Jonge larven op een stuk dennenstam. (2) - Een grote larve en een poppenwieg met daarin een grijze ribbelboktor - Foto's: ©Erik Gruys

(1) Jonge larven op een stuk dennenstam. (2) Grote larve en poppenwieg met daarin de grijze ribbelboktor – Foto’s: ©Erik Gruys

Dennenstam

De poppenwiegjes (zie onze foto’s ) die wij zagen (Susan Bol, Jan Katsman en ik) zaten op dennenstammen. Uw grote boktorsoort kwam waarschijnlijk van loofhout, foto’s van poppenwiegjes op loofhout heb ik niet.
Bovendien lijkt uw soort: de grote, in Utrecht niet beschreven te zijn.

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2024/05/29/huisje-boompje-en-een-beestje/