Luister, de soldaten komen!
Herinneringen van Jac. Gazenbeek – Deel I

In dit artikel vertelt Jac. Gazenbeek over het garnizoen in zijn geboorteplaats Ede en hoe hij dat als kleine jongen beleefde.  Het werd in 1966, ter gelegenheid van het zestig jarig bestaan van het garnizoen, geschreven.
Het verhaal komt uit de “Edesche Courant” van woensdag 26 januari 1966.

Intocht van de twee bataljons 11 RI met voorop het regimentsmuziekkorps op de Arnhemseweg / hoek Grotestraat in Ede. De dorpsjeugd, veelal op klompen, loopt mee met de soldaten (Foto: Gemeentearchief Ede) klik om te vergroten

Intocht van de twee bataljons 11 RI – voorop het regimentsmuziekkorps –
op de Arnhemseweg / hoek Grotestraat in Ede.
De dorpsjeugd, veelal op klompen, loopt mee met de soldaten
Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Intocht
…Later is het overgegaan maar in mijn jongensjaren was ik compleet weg van de soldaterie.  Ik heb er wat achteraan gelopen!  Zelfs van school gespijbeld om er toch maar bij te kunnen zijn.  Van de intocht van het garnizoen in Ede, die nu gevierd of herdacht wordt, kan ik me niets meer herinneren.
Dat was dus het 22e regiment dat toen kwam aangemarcheerd.  Sergeant Bender vertelde dat en die weet het natuurlijk wel.  In die tijd moet het dus geweest zijn, dat het leger groter werd.  We hadden eerst maar acht regimenten infanterie.  Het achtste lag in Arnhem en het zesde in Breda en… lag het elfde niet in Nijmegen?
Op een goede dag werd het aantal verdubbeld en zo kreeg Ede nummer 22 in de kazernes bij het station.   Nu hoor je ze doodgemoedereerd praten van de 105e of 321e groep of afdeling. Dat staat natuurlijk wel indrukwekkender.

Ga je ze mee wegbrengen?

Als we vroeger in de richting van het Maandereind marsmuziek hoorden en het bonzen van de grote trom, dan spitsten we meteen de oren.  “Kom joh”, brulde ik dan tegen Wout van de buurman: “de soldaten komen er aan, ga je mee ze wegbrengen?”.  Dan was er weer een troep met z’n hele hebben en houden gearriveerd aan het station en dan, met de stafmuziek voorop, op weg naar Harskamp om daar een paar dagen schietoefeningen met scherp te houden.  Een machtig gebeuren.  Aan de Stationsweg, waar de rijken woonden, hingen de dienstmeisjes uit de ramen en in het dorp bleef geen winkelier achter de toonbank.

Wij, op klompen, liepen naast de muzikanten, die lange degens droegen en fraaie epauletten op de schouders. Direct achter de muziek reden, met getrokken sabel, twee “hogen” te paard. De ene had gewoonlijk een jaskraag die stijf stond van het goud, de andere alleen maar een paar sterretjes. En wij mee om de soldaten een eind weg te brengen…

Uit Harskamp (ISK) lopende militairen met tamboers voorop over de Stationsweg naar Station Ede-Staatspoor in 1904 Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Uit Harskamp (ISK) lopende militairen met tamboers voorop
over de Stationsweg naar Station Ede-Staatspoor in 1904
Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Gewone mensen
Waar het bos begon klonk een schreeuw “gelid vrij” en dan was het ineens gedaan met het stramme marcheren.
De hogen staken de sabels in de schede, er behoefde niet meer in de pas gelopen te worden.   Neuzen werden gesnoten, er werd gezongen en gekletst.  Soms renden er een paar naar een boom om opgelucht en op een draf zich weer in de rijen te voegen.  Niet dat deze vrije orde ook maar iets afdeed aan onze achting voor de troep.   Buiten de bebouwde kom waren het ook maar gewone mensen.  Gewoonlijk klosten wij mee tot aan de Driesprong en als daar dan rust gehouden werd, de geweren aan rotten gezet werden op de berm van de weg, de kuch voor de dag kwam en het karretje van de limonade- en koekenverkoper (waar kwam de vent zo gauw vandaan?) belegerd werd, dan voelden wij apen van jongens ons zo ongeveer in het paradijs.

Paardenvolk
Soms waren het geen zandhazen oftewel infanteristen, die we wegbrachten.   Ik herinner me hoe ik opkeek toen een geheel anders uitgedoste troep het dorp binnenliep.   Tjonge, wat zagen die soldaten er mooi uit!    Ze hadden trompetters voorop lopen en dat koper knalde eruit.    Ze hadden rode tressen over de borst maar ze hadden korte geweertjes aan de schouder en ze droegen laarzen met sporen.   “Paardenvolk”, zei iemand, “Huzaren”, riep een ander.   Daarom droegen ze leren konten in hun broeken.   Jammer dat ze te voet gekomen waren,   “Toch maar wegbrengen,” zeiden Wout en ik tegen mekaar.

Kolionialen (klik om te vergroten)

Kolionialen – Oude ansichtkaart (klik om te vergroten)

Huzaren zag je niet iedere week,  net zo min trouwens als de “Kolonialen”.   Die zal ik ook niet licht vergeten.    Ze waren de schilderachtigste van allemaal met helmen op de gebruinde, tanige koppen, oranje tressen op donkerblauw en… witte slobkousen!    Hun muziek speelde ook fantastisch en zo als ze daar door Ede marcheerden,   waren ze ook in de “Oost” door de straten getrokken.

Manoeuvres
Zo was er wat te beleven en dan de manoeuvres in de herfst!    Achter de kazernes stonden dan lange, lange rijen witte tenten.   Het dorp kreeg inkwartiering,  want er moesten duizenden soldaten voor de nacht onderdak.   Mijn vader had het niet begrepen op die tijdelijke gezinsvermeerdering.    Niet omdat hij iets tegen het leger had,  maar hij dacht aan zijn drie volwassen dochters.    Dat soldatenvolk moest je in de gaten houden en… het was ook nogal los in de mond.    Hij wist er op de een of andere manier gewoonlijk aardig onderuit te komen.    Maar eens waren het blijkbaar extra grote manoeuvres.   De staf,  aan het hoofd een heuse generaal,  had zijn intrek in Buitenzorg genomen.   En nu ontkwamen we thuis – tot mijn heimelijke vreugde – niet aan inkwartiering.    “We krijgen er twee”,  hoor ik mijn vader nog brommen.   In de late namiddag kwamen ze en nog wel twee “Kolonialen” notabene,   ik kon wel dansen van plezier.

Bataljonscommandant met officieren in het tentenkamp Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Bataljonscommandant met officieren in het tentenkamp
Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Het waren twee adjudanten, de ene klein en zo rond als een tonnetje, was kapelmeester van de muziek.   Zijn collega was schraal en lang.   Ik kreeg klopjes op m’n schouder;  het waren best vriendelijke mensen.   Hun helmen hingen aan de kapstok in de gang.   Ik heb ze natuurlijk gepast,  maar ze zakten me over de oren,  ze roken naar de soldaten. Ik weet niet of het u wel eens opgevallen is,  maar soldaten hebben een eigen geur bij zich.   Geen nare geur.   Zit misschien in het uniformgoed of in het leer,  weet ik veel.

Bij ons in huis rook je het ook,  maar dat was juist echt.   De kapelmeester was toch wel de aardigste van de twee;  we kregen jaren later nog wel eens ansichten van hem.   Hij heette Klop.   Voor de andere adjudant was boven een kamer vrijgemaakt.   De man was erg op z’n ponteneur gesteld;  hij voelde zich een echte heer.   Als er gegeten moest worden en mijn oudste zuster riep onder aan de trap: “Bent u boven?”  dan antwoordde hij: “J-aaa, ik ben op meneers kamer,  ik kom zus!”   Die meneer was hij zelf dus.   Er werd dan gegiecheld in de keuken…

Demonstratie van een aanspanning van tien paarden met een 7-Veld kanon op de Ginkelse Heide Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Demonstratie van een aanspanning van tien paarden
met een 7 veld (snelvuur)kanon op de Ginkelse Heide
Foto: Gemeentearchief Ede (klik om te vergroten)

Op manoeuvre
Vier dagen inkwartiering,  vier dagen grote manoeuvres.   In de schemeravond liepen we langs de boerderijen op Veldhuizen en Kernhem.   Daar waren de huzaren ingekwartierd.   Op de donkere deel waar een paar petroleum-lantaarns brandden,  zag je paarden staan.   Je hoorde ze stampen en hinniken.   Soldaten liepen in en uit met emmers en voerzakken.   Het mooie uniform was verdwenen.   Ze liepen in sloeberige,   grauwwitte werkpakken en een kwartiermuts scheef op de kop.
Voor dag en dauw trok dat allemaal er op uit.   Met roffelende trommels,  vrolijke muziek en schetterende trompetten. Het geschut,  de kanonnen,  kwamen van het kazerneterrein.   Alles ging naar de hei,  die toen nog in volle glorie aanwezig was.   Wat een ruimte!   De Doesburgerhei was nog niet ontgonnen en de Renkumse evenmin.   Achter de Mosselselaan liep ze door,  urenver en Reemst sloot weer ongeveer aan op de Kemperhei bij Arnhem.
De patrouilles van de huzaren,  uitgestuurd op verkenning,  konden er uit de voeten,  maar de kanonnen van de “veld” bleven ergens stiekem aan de bosrand.  In het voorterrein trokken de infanteristen in eindeloze linies tegen elkaar op. Er was een blauwe en er was een rode partij die elkaar het leven zuur probeerden te maken.   Ter onderscheiding droeg de partij die wij “de vijand” noemden,  bruine banden om de kepi (pet).   Verder snapten we niks van de gang van zaken,  maar de groepjes “hogen”,  die van tijd tot tijd te paard tussen de strijdende partijen heen en weer renden, wisten natuurlijk wel waar het om ging.   En onderwijl die infanteristen maar rennen,  plotseling neerploffen in de hei en hun rooie,  losse flodders afvuren.   Het slot was een reusachtige knalpartij van weerskanten,  ondersteund door het kanongebulder.   Daarna was het spel uit en trokken de bestofte troepen naar huis.   De muziek voorop en de volgende dag een nieuwe voorstelling.

Wordt vervolgd

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2014/01/09/luister-de-soldaten-komenherinneringen-van-jac-gazenbeek-deel-i/