Toen kon dat nog

keteltjeZe woonden in een knus huisje, dat lag verscholen achter eeuwenoude dennen en fruitbomen. Broer en zus, als enigen overgebleven, hoogbejaard en geen van beiden ooit getrouwd geweest. De tijd leek te hebben stilgestaan wanneer je over de drempel stapte.
Ik kwam er haast dagelijks om zorg te verlenen. Eerst aan haar, later ook aan hem.
Zij was een muisgrijs vrouwtje en hij een tanige oude man, altijd in een overal gekleed en klompen aan.
Het huis was heel eenvoudig: geen koelkast of wasmachine, geen badkamer of douche, geen luxe keuken. Ook geen centrale verwarming of warm water. Altijd stonden er wel een of twee grote waterketels op het gasstel te zingen en de kachel in de woonkamer was altijd aan! Er stonden een paar enorme kasten in het huis, maar die waren altijd op slot. Ik moest maar raden wat daar in zat.

Hij noemde haar ‘onze Dina’, hij heette Jan.    Dina leed aan smetfobie en het was een heel gedoe om Dina op haar manier te verzorgen.    Ook had ze last van open benen en die kwam ik dus dagelijks verbinden. In een zinken teiltje moest ik haar wassen.   Jan verzorgde dan het ‘badwater’ uit een van de waterketels.   Het wassen en verzorgen kon beginnen, als Dina klaar was met het uitschudden en kloppen van haar kleding.
Alhoewel ze zeer zuinig leefden, konden ze het in feite royaal doen.   Dat ze dat niet deden, was te merken aan haar bovenkleding.   Die droeg ze vele, vele maanden achter elkaar, zonder ze uit te wassen of te verwisselen!   Hoe ik ook smeekte en vroeg, steevast antwoorde ze: “Het kan nog wel een weekje”.

Intussen was haar rode bloesje zò dun geworden, dat je er de krant door heen kon lezen. kastOp een dag, na de zoveelste keer vragen, was ik het zat.     Dat vette kraagje, de opgerolde mouwtjes met de dunne versleten boordjes en de vlekken.   Toen opeens, het was volgens mij echt ‘per ongeluk’ priemde er een vinger van mij dwars door dat lelijke verfomfaaide vieze bloesje heen.   Het geluid van de scheurende stof klonk mij als muziek in de oren. “Och, wat jammer, nu is uw bloesje kapot”, hoorde ik mijzelf triomfantelijk zeggen.   Verbaasd keek ze me aan, met een uitdrukking in haar ogen alsof ik haar dierbaarste speeltje had afgepakt.
Na afloop hebben we de klerenkast eens nagekeken en ontdekte ik dat ze toch echt wel iets nodig had.   In de woonkamer vroeg ik aan Jan of Dina iets nieuws mocht kopen, omdat haar bloesje kapot was.   En… wonder oh wonder, Dina wilde nu zelfs ook wel wat ondergoed en een nieuwe rok!   Jan, goedig als altijd, vond dat een goed idee en vroeg aan mij of ik dat wilde verzorgen (toen kon dat nog…).    Dat wilde ik wel en Jan, die geen flauw benul had van vrouwenkleding, vroeg kinderlijk aan mij hoeveel geld ik dacht nodig te hebben: duizend, tweeduizend of drieduizend gulden?
Mijn oren klapperden, mijn mond viel open van verbazing, want een van de kolossale kasten werd met een grote sleutel knerpend opengemaakt en Jan nam daar het benodigde kapitaal uit alsof het de Nederlandse Bank was!    Dina werd keurig van nieuwe kleren voorzien en toen kon het ‘gevecht’ weer van voren af aan beginnen in de hoop dat ze nu misschien wekelijks wat anders aan zou trekken.
Met toestemming overgenomen uit: Zomaar een ontmoeting – Daarom werk ik in de thuiszorg (1998)

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/06/23/toen-kon-dat-nog/