De Veluwenaars – deel 1 –

Veluwenaren

Is er – zo vragen wij ons af – aanleiding te spreken van een Veluws volkskarakter, zulks in onderscheiding van het karakter, dat de bewoners van andere gewesten of landschappen bezitten?

Als het waar is, dat de grond, die wij bewonen, invloed heeft op onze geestelijke structuur, op levensbeschouwing en levenshouding, dan mogen we deze vraag stellig bevestigend beantwoorden, want de Veluwe is immers een landschap, dat zich in verschillende opzichten onderscheidt van andere.

Niet het feit, dat het land tussen IJsselmeer en Rijn uit een oogpunt van natuurschoon, als recreatieoord, zo belangrijk is geworden sedert de laatste vijfentwintig jaren, kan hier als primair gelden, maar wel de omstandigheid dat de Veluwse bodem door zijn geologische samenstelling, door zijn schraalheid en onvruchtbaarheid van de vroegste tijden af een voorwerp was van de aanhoudende zorg der bewoners.

Als overal elders was ook hier de boer afhankelijk van de weersomstandigheden, ook hier was het: Wij maken de akker gereed, wij zaaien – maar God moet de wasdom geven! Doch éér er gezaaid kon worden, welk een ontzaglijke arbeid moest er verricht worden en hoe helder zullen de stugge, taaie zandboer de woorden voor ogen hebben gestaan: ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen!’

Eeuwenlang hebben de Veluwenaars een verbeten strijd gevoerd met de bodem: aan de randen, waar de grondwaterspiegel niet zo diep onder de oppervlakte lag ontegenzeglijk met meer succes dan in de meest centrale gedeelten.

Iedere lente opnieuw werden de bouwakkers gereedgemaakt; als de bidstond voor het gewas de boeren naar het bedehuis samenriep, waren veel harten nog vol goede verwachting, maar dan – in de voorzomer – deed de ongunst der elementen zich gelden: droogte en nachtvorst vernielden de gewassen, de armelijke weiden verbrandden.

Dat er een zeker fatalisme groeide in de harten dier zwoegende zandboeren, al zeiden ze met Job: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd!’ – het behoeft niemand te verwonderen.

Met dat al bleven de materiële welvaart, de vooruitzichten jaar in jaar uit zeer bedroevend, scherp werd het weinige geld dat door de verkoop van een stuk vee of anderszins binnenkwam, bewaard en bewaakt, het gezin moest zich tevreden stellen met het hoogstnodige voedsel, de kleding werd slechts spaarzaam vernieuwd.

in de primitieve oven

in de primitieve oven

Het land en de hof verschaften de leeftocht, ‘s winters werd er voor eigen gebruik een varken geslacht, brood bakte men zelf in de primitieve oven en de winkeliers uit de dorpen verdienden slechts een paar stuivers aan de zuinige boeren… Het geld, de klinkende munt, moest blijven liggen in het kabinet, daar mocht niets van genomen worden dan in geval van hoge nood: het was immers bestemd voor de pachtheer of – als de boer zelf eigenaar was – voor aflossing van rente en hypotheek.

Dit zuur verdiende geld werd op deze wijze voor de boer, die dikwijls als arbeider begonnen was (als u navraag doet, bemerkt u, dat ze bijna allemaal ‘gediend’ hebben), een der hoogste goederen, het zichtbare resultaat van zijn gezwoeg en van zijn zuinigheid.

Liever gaf hij – en er is eigenlijk in dit opzicht nog weinig veranderd – indien een arme drommel geholpen moest worden, een zak aardappelen of een kruiwagen keurig gekloofd brandhout cadeau dan een geldstuk te offeren. ‘Je môt een boer nièt an d’n buul komme’ luidt het gezegde.

De omstandigheden hebben zich overigens wel wat gewijzigd en het is zeer logisch, dat dat zich afspiegelt in het karakter van de boer, hoewel een dergelijk proces uiterst langzaam verloopt en de ‘oude Adam’ iedere keer nog acte de présence geeft.

Toen in 1866 de Markenwet verscheen, die de verdeling der marken en maalschapsgronden regelde, kwam er meer grond ter ontginning open, hetgeen natuurlijk niet veel betekenis gehad zou hebben, als nadien het gebruik van kunstmest niet meer en meer algemeen geworden was en de wegenaanleg het landschap niet ontsloten had.

Vele boeren stonden uiteraard aanvankelijk argwanend tegenover die nieuwe, vreemde bemestingwijze, maar al is de Veluwenaar conservatief, hij is volstrekt niet dom en wanneer het goed tot hem doorgedrongen is dat het nieuwe voordeel, geldelijk voordeel afwerpt door zijn resultaten, gaat hij ook allengs over tot de invoering van nieuwerwetse methoden.

Het aanwenden van kunstmeststoffen en het veranderde bodemgebruik garandeerden betere oogsten; bovendien was men thans in staat op vrij hoog gelegen terreinen weiden aan te leggen, waardoor de veeteelt van meer betekenis werd.

Vanzelfsprekend bleven er nog lang stijfhoofdigen, die ondanks alle argumentatie vasthielden aan het oude gebruik, de overgeleverde gewoonten. ‘Mien vaoder deej ‘t altoos zoo en ikke doej ‘t niet aanders!’

elektriciteitspaalToen een vijftiental jaren geleden de buurtschappen in de omgeving van onze woonplaats elektrisch licht kregen, sloten zeker meer dan de helft van de langs de weg wonende boeren zich reeds in het begin aan. Degenen, die er niet van wilden weten, voerden als argument aan: de duurte, het gevaar voor brand en… ‘al die nijerwetsche flauwe kul…’

Wij trachtten een van de meest behoudende figuren eens te overtuigen van het nut en de zegeningen der elektrische aansluiting. Lammert liet ons praten en nog eens praten, hij knikte een paar malen bedachtzaam met de ruige, verweerde kop en toen ik au bout de mon latin was, zei hij nochtans eigengereid: ‘Jie zult wel g’liek hên, mer ik hou mien endje!’

Thans, wij schrijven 1937, is Lammert nog de enigste, die voet bij stuk gehouden heeft en ‘t met petroleum afdoet. Maar deze boer is er dan ook nog volkomen een van het oude ras en als u hem voor u ziet staan met de grijze bakkebaarden en de zilveren ringetjes in de oren, moet u toegeven, dat er karakter in hem zit!

 knopDeel_2

Jac. Gazenbeek | 1937

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/01/11/de-veluwenaars-deel-1/