Drie Koningen zonder ster

Kerstavond

Ze waren alle drie oud en hadden weinig bijzondere belevenissen meer te verwachten. Elke zaterdagavond kuierden ze naar het kleine café van Els Borren en daar zaten ze dan van acht tot tien steevast op hun zelfde plaats.
Dorus en Willem met de ruggen tegen de bruine wandbetimmering, Fons daar tegenover met de ellebogen op tafel. Ze zaten daar rustig, zoals oude mannetjes, aan hun lot overgelaten plegen te worden, soms met knipperende ogen maar strak gesloten monden omziende naar andere, luidruchtige bezoekers die bier dronken en dan vaak ruzie kregen. En terwijl ze daar bijeen zaten,  praatten ze in korte zinnetjes over het weer en over de kleine voorvallen in het dorp en Els wist, dat zij hun elk twee brandewijntjes moest brengen. Dat was het gewone recept, nooit meer, nooit minder.
Dorus en Willem leken wel wat op elkander, dat hadden wel broers kunnen zijn.   Dezelfde oude gezichten, met een kinderlijke oogopslag soms. Fons was anders, hij kon bij tijd en wijle wat vreemd doen en soms praatte hij over dingen, die zijn vrienden helemaal niet begrepen, maar waarover naar Dorus’ mening een oud mens zich niet druk maken moest.

DrieKoningen1

Zo zaren ze in het kleine café van Els Borren – Illustratie: ©Thijs Mauve

De kerk

Het was nu zaterdagavond voor Kerstmis en het was stil in de gelagkamer. Alleen was daar het zachte suizen van de gaslamp, het tikken van de wandklok en nu en dan het gedempte gerucht van een bedeesde stem.
Els had al eens een paar keer achter haar hand gegeeuwd en naar de klok gekeken. Ze hoopte dat haar gasten het niet al te laat zouden maken, want de boeren waren die avond vroeg naar bed, omdat ze in de Kerstnacht naar de kerk zouden gaan en het was toch eigenlijk zonde om het licht aan te houden en wakker te moeten blijven voor die zes brandewijntjes…

Doch, het scheen of de oude mannetjes het er op gezet hadden zo lang mogelijk bij elkaar te blijven, of ze de eenzaamheid van de winternacht daarbuiten meer vreesden dan anders. Willem had juist een nieuwe pijp gestopt en terwijl hij bevend een brandende lucifer omhoog hield, zei hij in antwoord op een zachte opmerking van Fons: “Nee – ik zeg,  dat je daar niet aan denken moet. Een mens kan heel, héél oud worden. Mijn vader zei altijd: een mens is zo oud, als hij z’n eigen voelt.  Maar jij, met je gepieker, maakt je eigen ouder dan nodig is.  Wat jij, Dorus?” Dorus onderstreepte dat ernstig:  “Willem heeft gelijk, Fons. “Jij hebt zeker weer in een of ander boek zitten snuffelen. Ik zie d’r nog van komen, dat je naar de kerk gaat, als je zo door doet…”

Een ster

Fons plukte aan z’n verwarde grauwe baard.  En dan, met een stem die bijna fluisterde, zei hij:  “Je hoeft ‘t niet te geloven, maar toch is ‘t zo.  In de Kerstnacht gebeuren d’r vreemde dingen. Ik heb straks een ster zien vallen en dan… gaat er heel gauw één dood of…  d’r wordt er één geboren,  maar ik zou niet weten waar.  Bij mijn weten is d’r in ‘t hele dorp geen huis, waar wat komen moet…  En daarom moet ‘t dood betekenen…”

Het was een ogenblik stil en het scheen of de anderen toch wel onder de indruk van Fons’ woorden waren geraakt. Rustig tikte de klok aan de wand, nu en dan ritselde de krant waarin Els Borren zat te lezen.
Willem nam een klein teugje uit z’n glas en dan, nadat hij een poging had gedaan zich een zo dapper mogelijke houding te geven, vroeg hij:  “En durf je daarom nou niet naar huis te gaan?  Da’s kinderachtig.  Wat jij, Dorus?”
“Durven”, schoot Fons meteen uit. “Dat heeft niks met durven te maken. Ik heb die ster gezien, da’s zeker en d’r moet wat gebeuren.  Nou – en dan kan ik toch niet slapen, zie je.  Affijn, dan ga ik maar een eindje lopen!”

Fons zette de oude, verfomfaaide hoed op, zei met een afwezige blik in de ogen “ajuu…” en toen rammelde de deur achter hem dicht.  De bel klingelde nog even na.
De stilte was nu nog nadrukkelijker.  Willem en Dorus durfden elkaar ternauwernood aan te kijken.  Die Fons ook – om zomaar weg te lopen, de koude winternacht in. Ze zaten stil voor zich uit te staren en het was of het laatste restje van hun flinkheid finaal in elkaar geschrompeld was.
“Zou ‘t nog sneeuwen?” vroeg Dorus in de verte en dronk meteen z’n glaasje leeg. “Moeten we ‘m nou alleen laten gaan?” mompelde Willem. “Hij is al zes-en-zeventig.” Dorus kuchte een paar keer maar zei verder niets. “Zullen we niet ‘s gaan kijken, waar die gebleven is,” ging Willem verder.

Bovenaardse stilte

Ze rekenden af met Els en even later gingen ze de deur uit.  Koud, stil en ondoorgrondelijk stond de Kerstnacht boven de ondergesneeuwde aarde.  De wereld leek één grote kerk, zo plechtig was de stilte.  En recht voor zich uit zagen beiden nu een klein, zwart figuurtje, zich langzaam voortbewegend.
“Kijk, daar gaat ie!” fluisterde Willem en hij greep Dorus bij de arm.  Zo snel hun stramme benen en de hoge sneeuw het toelieten, begonnen ze Fons te volgen.  Hij keek niet op of om.  En zo begon voor hen de Kerstnacht: rondom de heilige, bovenaardse stilte, in hun hoofd de herinnering aan hetgeen Fons daarstraks gezegd had over die gevallen ster.
De verse sneeuw knerpte onder de voeten der drie mannen.  Fons liep voor de anderen uit en het leek wel of ze mekaar niet kenden en op weg waren naar de kerk of naar de markt.  Het was vreemd, heel vreemd en er werd geen woord gezegd.

Plotseling bleef Fons stilstaan.  Hij trok de smalle, magere schouders op en omkijkend zei hij met een beverig lachje: “Jullie geloofden ‘t toch niet?  Nou, waarom komen jullie me dan achterop?”
De anderen wisten niet, wat te antwoorden en Fons ging verder: “Waar willen jullie heen? Waar moeten we naar toe? De kerk begint pas over een paar uur…”
Toen schrok Willem op.  “De kerk?  Wie heeft er nou over de kerk gepraat. Jij bent ineens weggegaan. Wat jij, Dorus?”
“Nee, naar de kerk gaat niet,” bromde Dorus uit de hoog opgezette jaskraag.  “We komen d’r nooit niet en nou opeens…  Nee, we moeten ons niet laten uitlachen….”
Zo stonden ze daar in de winternacht te praten.  Nu en dan bliezen ze wat warmte in hun verkleumde handen en scherp tekenden hun gebogen silhouetten zich af tegen de sneeuw.

DrieKoningen2

Naar de woonwagen – Illustratie: ©Thijs Mauve

Huilen 

Ineens stak Fons toen een vinger omhoog. Zijn magere gestalte rekte zich uit, er kwam een glinstering in zijn ogen en hij zei: “Horen jullie dat?”  Willem en Dorus staarden hem verwonderd aan, toen draaiden gelijktijdig hun hoofden naar de richting vanwaar het geluid gekomen was. Het klonk als het huilen van een kind.  “Ik zeg je”, fluisterde Willem, “dat ‘t komt van achter ‘t bos van Harmsen!”
Alle drie keken ze die kant uit. Naast de laatste boerderij van ‘t dorp lag een wilgenbosje en daarachter was een kaal stuk land, dat boer Harmsen nooit gebruikte en waar nu en dan een woonwagen stond. Zigeuners – flitste het door hun hoofden. Brutaal volk, kwaje buren. De boeren hadden er ondervinding van als dat volkje in de buurt was, betekende dat: deuren dicht en handen op de portemonnee.

“Kom, mannen”, zei Dorus met trillende stem, “laten we doorlopen. Hier niet blijven staan!” Maar Fons luisterde niet, zijn voet tastte reeds naar het vlondertje, dat over de sloot naar het wilgenbosje moest voeren. Het was een gevaarlijke onderneming, want alles lag dik onder de sneeuw. Hoe gemakkelijk kon je niet naast de plank stappen!
“Wat wil je Fons? Waar moet ie nou heen?” Verschrikt en besluiteloos stonden Dorus en Willem toe te kijken.

Fons voetstappen klonken dof op het vlondertje, dan knarste de sneeuw van het wilgenbosje onder z’n grote schoenen. En terwijl doffe beelden door z’n hoofd warrelden, dacht hij ineens weer aan dat verhaal over de vallende ster. Er stonden grote tranen – niet alleen van de kou – in zijn ogen.
Dorus en Willem waren hem gevolgd, zijdelings met kleine pasjes voorzichtig schuivend over het wankele bruggetje, de een de ander bij de mouw vasthoudend. Ze koersten tussen de kale, zwarte wilgen door en stonden het volgende ogenblik bij de woonwagen.

Als een rossig vierkant was het raampje van de wagen boven hun hoofden. De wagen kraakte zachtjes, toen iemand binnen heen en weer liep. Het kindergeschrei was plotseling opgehouden.
“Wat wil je nou doen?” fluisterde Dorus.
“Jullie hebben ‘t toch gehoord,” zei Fons en het was als lag een glans van vreugde op z’n baardig gezicht. “Jullie hebben ‘t gehoord! Een kindje en ‘t is Kerstnacht. De ster…”  De anderen zwegen, want ze wisten geen antwoord. En omdat ze het gevoel hadden, dat Fons wijzer en sterker was dan zij, klommen ze nu achter hem aan, toen hij de wankele trap van de wagen besteeg.

Warm was het daarbinnen en ze waren ineens in een geheel andere wereld. In een smal bed lag een bleke, stille vrouw en een lange donkere kerel hield haar hand vast. Vlakbij het bed stond een kistje en daarin bolde het zacht-rose gezicht van het kind.  Fons keek naar de vermoeide vrouw en dan met stralende ogen naar het kind. Er waren rimpeltjes in zijn gezicht, die er anders niet waren.   Willem begon te praten, verlegen en stamelend: “We hoorden ‘t kind en toen wou hij…”

DrieKoningen3

Illustratie: ©Thijs Mauve

Drie koningen

De lange, donkere woonwagenbewoner schoot in de lach: “Drie koningen, Gonda!  Zie je ze?  Een kerstkind en meteen staan de drie koningen al voor de deur.  Neemt u plaats, hoogheden,” en met een breed armgebaar wees hij naar een bank tegen de zijwand. Fons lachte, een trillend ouwemannetjeslachje:  “Ja, drie koningen en ze zijn zonder ster…!”  Willem en Dorus keken hem van terzijde achterdochtig aan. Fons deed zo vreemd.  Langzaam kwamen ze door de warmte dan wat bij en ze vonden dat ze maar raar terechtgekomen waren.

Daar zaten ze in ‘t holst van de nacht in een zigeunerwagen en Fons zat daar te wauwelen over drie koningen en een ster… Ze hoorden dat de vrouw zacht zei: “Geef ze wat te drinken, Paul!”  De zigeuner scharrelde wat in de hoek bij de kachel en even later zaten ze met de neus boven een kroes gloeiend hete koffie.  Potsierlijk was het toen ze alle drie tegelijk moesten niezen en hun rode zakdoeken voor de dag haalden. Zelfs de bleke vrouw in het bed glimlachte.

Fons was nu weer geheel de oude.Hij had het hoogste woord en toen hij met een klap op Dorus’ knie schetterde:
“In de kerk hadden we zeker geen koffie gekregen!” Vonden ze het niet eens zo gek, dat ze hier op bezoek waren.
Toen de koffie op was, gingen ze weer weg,  maar eerst bogen ze zich alle drie,  met de pet of de hoed in de hand, over het kind met de rose wangetjes. Ze zeiden “Welterusten” tegen de ouders en dan klapte het lage deurtje achter hen dicht.

De zigeuner keek naar het rafelige dekentje,  waaronder de jonggeborene sliep en plotseling zag hij iets blinkends.  Er lagen twee zilveren guldens en een oude dasspeld….
Buiten schuifelden de drie gestalten naast elkander voort in de richting van het dorp. Ze spraken niet en er was alleen het geluid van de knerpende sneeuw onder hun schoenen….

Tekst: ©Jac. Gazenbeek | Lunteren – December 1950 – ( Illustratie’s: ©Thijs Mauve)

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/12/21/drie-koningen-zonder-ster/