De Paaskip van Jan

Jan Govers is een buitenman van top tot teen. Zijn vader maakte deel uit van het korps rijksveldwachters en daar deze functionarissen destijds tevens jachtopzichters waren, kwam Jan regelmatig te horen over jacht en wild, terwijl het van vaders zijde ook niet ontbrak aan allerlei wilde verhalen over stropers. Als volwassen kerel stond Jan altijd klaar om bij klop- of drijfjachten zijn diensten aan te bieden.

paaskipKostelijke humor

Gezegend met een scherp oog voor alles wat in het veld te koop was, en onvermoeibaar, was hij als drijver een klasse apart: geen struikruigte was hem te doornig of te dicht, regen of sneeuw konden hem niet afschrikken en doordat hij zijn zware werk zowel kundig als opgewekt deed, waren jagers en collega-drijvers erg op hem gesteld, ook vanwege zijn kostelijke humor, rake opmerkingen en gevatte antwoorden. Geen wonder dat Jan op jachtpartijen in het Neder-Veluwse een gewaardeerde helper was. Jammer dat zijn belangstelling voor en grote kennis van wild en jacht hem er later toe verleidden het ook eens als stroper te proberen.

 

Jans arsenaal
En eens op het verkeerde pad terechtgekomen, ontpopte Jan zich als een verwoede en uiterst gehaaide clandestiene jager, die meestal met de verfoeilijke strikken werkte. In herfst en winter oefende hij zijn verboden praktijken vooral op de Zuid- en Midden-Veluwe uit en al werd hij door de mannen van het jachttoezicht, zijn eigen vader niet uitgezonderd, scherp in de gaten gehouden, Jans arsenaal van listen om aan de arm der wet te ontkomen was niet gauw uitgeput.

Knettergek tussen die machines
Geregeld werk was niets voor deze vrijbuiter. Na zijn huwelijk gaf hij op aandringen van Marie, z’n vrouw, het illegale stropersbedrijf eraan en ging hij op zoek naar eerlijk werk, want er moest uiteraard brood op de plank komen. Te lui om de handen uit de mouwen te steken was Jan Govers zeker niet, maar hij moest wel iets om handen hebben dat hem het verblijf in de buitenlucht verzekerde. Opgesloten zijn binnen vier muren, daarvoor paste hij; hij probeerde het uit te houden in een fabriekje waar plastic artikelen gemaakt werden. Een goede week hield Jan het uit, daarna nam hij de benen.  “Knettergek zou ik daar worden, knettergek tussen die machines en al dat geraas, dan zou ik nog liever straatveger zijn”, zei Jan.

Stropen was er niet bij
In het eerstkomende voorjaar kon hij terecht bij een bloemist en toen zagen we hem hier en daar ijverig bezig bij villabewoners tuintjes op te knappen, bladeren bij mekaar te harken of gazons te maaien. Goed, dat was wel niet zwerven door bos en hei, maar ‘t was toch buitenwerk. Een paar seizoenen vond hij emplooi als bosarbeider, een stuk beter alweer, dan zag je nog eens een stuk wild en zelfs een hert of ree. Het opmerkelijke was, zoals de bosbeheerder ons vertelde, dat diezelfde Jan daar geen hand naar het wild uitstak, stropen was er niet bij. Als er van tijd tot tijd gejaagd werd, was Jan er wel graag weer als drijver bij. Dat mocht van de baas, die er een kundige helper aan had. Jan bewaarde in die tijd zelfs zijn snipperdagen om mee te gaan als er gejaagd werd. Nadat het werk in de bossen was afgelopen, slofte hij een paar seizoenen als hulpscheper met hond en kluitschop op de Ginkelse Hei achter de schapen.

Pluimgraaf
De laatste keer dat ik Jan ontmoette werkte hij op Mossel, een afgelegen boerderij tussen Ede en Otterlo. “Ik ben daar pluimgraaf,” lachte Jan, “een voornaam persoon! Pluimgraaf, ja, ja! Ik heb de zorg voor en het toezicht op een paar honderd kippen, ganzen en eenden.”
In die Mosselse tijd deed zich een geval voor waarbij Jan’s slimheid en zijn talent op elke onverwachte situatie uitermate snel en origineel te reageren, voor de volle honderd procent naar voren kwam en aantoonden dat men het intellect en het reactievermogen van een gewone Veluwse jongen – met zes jaar lagere school achter de rug – waarlijk niet behoeft te onderschatten.

Jan op de fietsKip in de aardappelzak
Vrijdags voor Pasen schoot Jan z’n werkgever aan en vroeg: “Zeg baas, kan ik een van de ouwe kippen, die toch van de leg af zijn, van u kopen? U zult ze straks toch wegdoen en ik wilde m’n vrouw eens een lol doen”. De baas zegt: “Akkoord, je pikt de zwaarste er maar uit jongen. Voor een gulden ben je ‘t heertje en eet je met Pasen kip”.
“Prima”, grijnsde Jan, “een gulden is geen geld”. Toen Jan om half zes ‘t werk erop had zitten, ging de uitverkoren kip in een aardappelzak op de bagagedrager van de fiets mee naar huis, naar Ede waar Jan woont. Dwars door het centrum van het dorp loopt een spoorlijn. Plotseling moest Jan afstappen, want vlak voor zijn neus gingen de afsluitbomen van de spoorwegovergang naar beneden. Dat zijn van die toevalligheden.

Hou je kop, sufferd!
Vlak achter Jan Govers stapte – ook heel toevallig – een politieagent van zijn fiets. De agent kende Jan best van gezicht en had genoeg van zijn antecedenten gehoord om de knaap voor hem eens extra op te nemen.
Ook in politiekringen wist men alles van Jan’s vroegere stroperspraktijken.
De politieman keek vooral naar de zak die Jan op zijn bagagedrager meevoerde en voelde zijn achterdocht met de minuut toenemen, want in die zak bewoog het een en ander… Zou Jan – zo vroeg de agent zich af – in zijn oude zonde zijn vervallen en ergens een fazant of een ander stuk wild gesnaaid hebben? De politieagent deed bij voorbaat een paar stappen naar voren en toen de trein voorbij was stond hij meteen naast de verdachte en vroeg: “Zeg Jan, wat voor moois vervoer je achter op de fiets?”
“O”, kwam Jan zonder aarzelen, “dat is echt niks bijzonders, een kleine verrassing voor moeder de vrouw…” De agent, nu wel voor 99% zeker van zijn zaak een verbaal inzake wildstroperij te kunnen opmaken zei: “Niks bijzonders zeg je, maar ik wil toch wel graag weten wat jij in die zak hebt, laat me maar eens zien”. Jan haalde de schouders op, maar voldeed aan het verzoek. Het touwtje boven om de zak werd losgemaakt en ‘t volgende moment zag de agent onder in de jutezak niets anders dan een witte, lodderig kijkende ouwe kip, die knipoogde tegen het felle licht, opstond en dan een zenuwachtige kakel liet horen. “Hou je kop sufferd!” viel Jan tegen de kip uit, “er wordt jou toch niks gevraagd”. Zich tot de agent richtend: “Valt u tegen hè?”

“Och”, zei deze bedaard, “voor wildstroperij kan ik je niets maken, als je dat soms bedoelt, maar zoals jij pluimvee vervoert is het verboden en dat weet jij als pluimgraaf natuurlijk deksels goed. Een levende kip zomaar in een aardappelzak achterop de fiets gebonden is in strijd met alle wetsregels, ‘t is dierenmishandeling.”

agent

 

Dierenmishandeling?

Terwijl de jonge politieman in de borstzak van zijn uniform friemelde, op zoek naar opschrijfboekje en pen, was Jan klaar voor de tegenaanval, een aanval geheel in Jan’s eigen stijl. “Meneer de agent”, begon hij poeslief, “nu moet u eens goed horen, als u nog een minuutje hebt. Voor stroperij kunt u me niks maken, maar omdat u me daarvoor niet te pakken kunt nemen, wilt u het op deze manier proberen. Ik moet per sé op de bon, dat begrijp ik nu wel, maar luistert u nou eens goed naar me. Ik ben maar een arme sloeber, zoals u natuurlijk best weet, maar toch zou ik ‘t leuk, lekker en gezellig vinden om op Paaszondag met de vrouw aan een lekker gebraden kippetje te trekken, met appelmoes erbij en misschien nog een puddinkje toe. En nou wilt u mij beschuldigen van dierenmishandeling en dan de kip misschien ook nog in beslag nemen. U hebt het niet met dezelfde woorden gezegd, maar het komt op ‘t zelfde neer. Ik, Jan Govers, ben een dierenbeul en lap de wet aan m’n laars”.

Eet ze lekker zondag
“U zit er met zo’n beschuldiging lelijk naast. Ik zou er om lachen als ‘t niet zo verdrietig was en zo oneerlijk. Dierenmishandeling…! Weet u wanneer ‘t mishandeling van dat arme dier geweest zou zijn? Als ik de kip van Mossel, waar die vandaan komt, als ik die kip had laten fietsen dwars door de hei en tegen alle heuvels op, die kip maar trappen en als ik dan met m’n luie achterste op de bagagedrager was gaan zitten. Kijk, dat zou min en misselijk en ongevoelig van me geweest zijn tegenover dat stomme dier. Dan had ik royaal een bon verdiend en zou ik er geen woord over vuilmaken…”
De politieman wist met dit gewiekste verweer geen raad, zwaaide zijn been over het zadel en zei onder het wegrijden zonder rancune: “Nou Jan, goeie dag dan maar, en… eet ze lekker zondag…!”

Tekst: Jac. Gazenbeek | jaartal onbekend
illustraties: Rijk Verhoeven

Dit verhaal verscheen eerder in De Veluwenaar van april 2004.

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/03/28/de-paaskip-van-jan/