De roep van de lente

Vrolijk gemutst verlieten we vanmorgen vroeg de schaapskooi. Nog in winterjas met de das stevig om geknoopt en met een paar warme wollen handschoenen aan mijn handen, aanvaardden wij de tocht naar de heide. We waren nog maar amper op weg toen er plotseling van tussen het blaten van de schapen een hoog stemgeluid doorklonk. Verbaasd liet ik mijn blik over de kudde voort struinende schapen gaan. Dit kon niet missen, er moest een lam tussen de grote schapen inlopen want zo’n hoog mekkerend geluid kon immers enkel en alleen afkomstig zijn van een jong lam.
Lam met schaapEn ja hoor, al snel ontdekte ik het kleine lam. Het huppelde luid mekkerend achter de grote mama-schapen aan. Het was dit kleine ooilam vanmorgen klaarblijkelijk gelukt, om bij het uit de schaapskooi drijven van de kudde, onopgemerkt met de moederschapen mee naar buiten te glippen. Maar dat was stellig niet de bedoeling! Pas in april, als het eerste prille bosgras verschijnt, mogen onze lammeren met hun mama’s de grote tocht naar de heide aanvaarden. Dan zijn ze genoeg gegroeid en dan hebben de volwassen schapen ook niet meer zo’n haast om bij de hei te komen, omdat zij van de verse grassprietjes willen smullen die we op weg naar de heide in de bospercelen passeren.
Het lammetje stond steeds even stil, keek verbaasd om zich heen, en liep dan weer verder. Wat spannend was dit. En hondje Puck; dat was pas echt leuk. Zo’n beestje kende ons lam immers nog niet. In al haar onschuld stoof het argeloze lam onbevangen en vrij steeds weer opnieuw op Puck af. Niet wetend wat hij met dit kleine schaapje aan moest keek Puck schichtig van het lam naar mij. Vragend keek hij me aan, alsof hij zeggen wilde: ‘Wat moet ik daar nu mee..? ‘Tja Puck’, zei ik met enig vermaak in mijn stem: ‘wen hier vast maar aan, want in april gaan er nog veel meer van dit soort schepseltjes mee naar de hei.’ We bereikten de heide en ik zag dat ons lammetje moe werd. Het begon klaaglijk te blaten, wat erg aandoenlijk klonk. Dus tilde ik het lammetje op en droeg het een poos op mijn schouder mee. Nu was het stil. Het vleide zich gedwee tegen mijn warme winterjas aan.
Het stoute lammetjeHet was zo ijzig koud buiten dat ik de heidestrook volgde die in de beschutting lag van de bosrand. De straffe noordoostenwind gierde fluitend door de kale boomtakken heen. Maar tussen het fluitende geluid van de loeiende wind, klonk plotseling een ander geluid door. Het was een zomers geluid dat ik onmiddellijk herkende. Ik ontving het met gejuich en stond ineens te stralen van geluk op deze barre verlaten vlakte. Hoog boven de heidevelden uit ontwaarde ik weldra enkele leeuweriken. Ze hingen hoog in de lucht uit volle borst te jubelen en trokken zich schijnbaar niets aan van wind en koude. Dat gaf me nieuwe energie.
De lucht boven ons werd grijzer en grijzer. Traag dwarrelden een paar verdwaalde sneeuwvlokken naar beneden. De schapen deden zich tegoed aan de loten van sparren en dennen en aan de knapperige heidestruiken. Ze hadden de pas er goed in. Terwijl de noordooster vervaarlijk loeide en nieuwe, donkergrijze wolken aanvoerde, klonk boven dit alles uit, de roep van de lente. De jubelzang van de leeuweriken vergezelde mij deze hele morgen in het winters aandoende veld. Het lam in mijn armen droeg extra bij aan al het lentegevoel dat in mij los werd gemaakt. Lentegevoelens, waarnaar wij allemaal zo intens verlangen en uitzien en die mij vanmorgen werden aangedragen, door een leeuwerik en een lam.

klik om te vergroten

klik om te vergroten

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.de-veluwenaar.nl/2013/02/24/de-roep-van-de-lente/