Veldwerk op de Hoge Veluwe – Deel 2

Gekkenwerk…

Zou ik in de huidige tijd als beginnend natuurfotograaf het internet afgrazen of tijdschriften lezen om uit een hapklaar aanbod van fotogenieke locaties mijn doelen te kiezen? Zou ik vanuit de luie stoel lid worden van een groep op Facebook of een ander social medium, waardoor ik binnen de kortste tijd een heel overzicht heb van wat waar gespot is?

Eerlijk gezegd: nee – daar kan ik geen enkele voldoening uit putten. Ik ben niet zo iemand, die even wat plezier beleeft aan het ene evenement om me daarna als de weerga naar het volgende te spoeden, totdat ik ook dat van mijn verlanglijstje kan wegstrepen en mijn scoringsdrift kan gaan botvieren op de volgende nummers in het lijstje.

Stormloop

Hoe stillen ‘veelvraten’ hun honger, wanneer de krokettenautomaat leeg is en de snackbar gesloten? Klampen ze mij dan aan met de vraag, of ik nog leuke dingetjes heb gezien die zij dan kunnen delen via internet? Dat laatste is mij twee jaar geleden,  middenin het bos overkomen. De wildvreemde vraagsteller reageerde ronduit boos, toen ik hem vertelde nooit mijn foto-locaties met onbekenden te delen, want daar zou dan dankzij internet een stormloop op ontstaan.

Voor mij zijn de basisprincipes van natuurfotografie: niets vernielen en niets verontrusten. Dat betekent in de praktijk: tijd en moeite steken in wat je doet en wat je wilt bereiken. Een paar voorbeelden. Wanneer je blindelings camera en lenzen weet te bedienen, kun je makkelijk inspelen op de situatie en maak je zo min mogelijk geluid.

Wanneer je ergens wilt fotograferen, ga je het terrein verkennen, zodat je niet plompverloren op een wildwissel gaat zitten in de verwachting de meest spectaculaire zwijnenfoto ooit te maken. Wanneer je weet hoe diersoorten zich gedragen, hou je daar rekening mee; het belang van een dier gaat altijd boven het eigenbelang van de fotograaf (dus niet de ontspanknop indrukken, wanneer de kans bestaat, dat het dier onmiddellijk op de vlucht slaat).
Wanneer ergens een zeldzame plant staat, baan je je er niet op eigen houtje een weg naartoe, want voor je het weet, volgt iemand jouw spoor en legt de plaatselijke vegetatie het loodje.

Vegetatie wals je natuurlijk niet plat – Foto: ©Yvonne Arentzen

Lelijk haastwerk

Toegegeven, ook ik heb domme beginnersfouten gemaakt. Toen ik eindelijk een 400mm-lens bij elkaar had gespaard, zeulde ik dat ding tijdens terreinverkenningen gewoon mee, want waarom zou ik niet proberen een hert of een moeflon op de foto te zetten. Het resultaat? Lelijk haastwerk. Of de sluitertijd was te lang (bewegingsonscherpte; beeldstabilisatie was er nog niet), of er was geen tijd om het diafragma dicht te draaien (overbelichte foto), of het dier was alweer buiten het scherpstelpunt beland (autofocus bestond toen nog niet). Stevige bomen om met de lens tegenaan te leunen waren lang niet overal voorhanden; vliegdennetjes zwiepten heen en weer, wat ook al niet bevorderlijk was voor het maken van echt scherpe foto’s.

Mijn zus Anja met fotogeweer – Foto: ©Yvonne Arentzen

Fotogeweren

Het rondlopen met telelens gemonteerd op een afgedankte geweerkolf leverde merkbaar beter resultaat op. Dat waren echt stabiele schouderstatieven.

Uiteraard liepen Anja en ik daar niet te pas en te onpas mee rond om vragen van andere Parkbezoekers zoveel mogelijk te voorkomen.

Wel mochten we onvriendelijk reagerende mensen verwijzen naar toenmalig adjunct-directeur ing. Bert Snijders, door wiens toestemming we ‘bewapend’ met onze fotogeweren De Hoge Veluwe ‘onveilig’ mochten maken.

Camerajacht

Bert had ons een keer uitgenodigd op het Dienstgebouw om de fotogeweren te laten zien. Het leverde een heel leuk gesprek op, waarvan een deel doorsijpelde naar de medewerkers die in het terrein hun werkzaamheden verrichtten. Daardoor wist men, dat twee dekselse wichten geregeld op camerajacht gingen.

 

Aanzitplaats

Toen we De Hoge Veluwe aardig verkend hadden en mogelijke aanzitplaatsen in kaart hadden gebracht werd het tijd voor de volgende stap: statief, stoeltje en rugzak mee om urenlang ergens te gaan zitten. We hadden gekozen voor bepaalde landschappen, die een mooie entourage zouden vormen voor te fotograferen dieren. Gelukkig kwamen de dieren niet op commando, zodat er volop tijd was om alle zintuigen in te zetten voor waarnemingen in de directe omgeving van de aanzitplaats.

Zo ontdekten we, dat niet alleen gaaien de aanwezigheid van wild verraden, ook plotseling langs vliegende merels verklappen het een en ander. We kregen een neus voor de verschillende geuren; bomen en planten ruiken verschillend net zoals edelherten, moeflons, zwijnen en reeën hun eigen luchtje hebben. Bepaalde vogelsoorten bleken er min of meer vaste vliegroutes op na te houden net zoals libellen. Wanneer mensen door het terrein banjerden, kraakten takken en takjes harder dan wanneer wild zich van de ene naar de andere plaats begaf. Gaandeweg ontdekten we het grote gelijk van jachtopzichter Jac. Planta: zitten levert veel meer op dan lopen.

Verrassende bijvangst

Vaak kwamen we zonder een foto gemaakt te hebben thuis. Ofwel we hadden geen dier te zien gekregen ofwel het dier was te ver weg ofwel het was niet mogelijk te fotograferen zonder verontrusting te veroorzaken. Desondanks waren we zelden teleurgesteld. Alleen wanneer we zagen, dat iemand willens en wetens wild van hot naar her joeg, konden we daar goed chagrijnig van worden. Gelukkig kwam dat niet vaak voor.
Aanzitten op de ene diersoort leverde soms een verrassende bijvangst op. Terwijl we wachtten op de komst van moeflons kregen we een keer een vos voor de lens, die ons helemaal niet opmerkte. Een verklaring ervoor konden we niet bedenken. Misschien dat het broeierige weer een rol speelde; nog geen twintig minuten later moesten we in allerijl onze spullen inpakken en over een mul zandpad naar de auto terug sjouwen, omdat er een onweersbui op losbarsten stond.

Verrassende bijvangst: een poepende vos – Foto ©Yvonne Arentzen

Echt sjouwen

Duurden de aanzitten aanvankelijk enkele uren, al snel kregen we de smaak goed te pakken en zaten we het overgrote deel van de dag verscholen tussen wat vliegdennetjes of bij een dikke boom. Naar alle plaatsen was het minimaal twintig minuten stevig doorstappen. En dat met een uitrusting die mettertijd in grootte en gewicht toenam. Echt sjouwen dus. De statieven, waarmee we begonnen, bleken al snel niet echt stabiel. De vervangers waren heel wat robuuster en daardoor flink zwaarder. Simpele objectieven maakten plaats voor betere en… grotere.

Aardig wat bagage, maar deze keer een makkelijke aanzit naast de auto bij Bosje van Staf – Foto: ©Yvonne Arentzen

Omdat zo’n grote ‘teletoeter’ stevig verankerd moest staan voor scherpe foto’s, moest er een grotere statiefkop op het statief en rijst ter verzwaring aan het statief. Eén camera bleek niet voldoende om onder alle lichtomstandigheden te kunnen fotograferen.

Analoog

In het analoge tijdperk was je gebonden aan filmrolletjes met een bepaalde ISO-waarde. Wanneer het licht minder werd, had je aan ISO 100 niet veel meer. In een tweede camera had je dan een filmrolletje van ISO 200 of 400. Later kwam er een derde camera bij, waarin een zwartwitfilm van ISO 400 zat, opgewaardeerd tot 800. Op die manier kon je behoorlijk lang doorgaan met fotograferen.

Bagage

Een dagje aanzitten zorgde voor aardig wat bagage. Het zware statief met zware statiefkop moest je dragen (‘s winters geen onverdeeld genoegen, want het aluminium zorgde ervoor, dat je hand binnen de kortste keren ijskoud werd, ook al had je dikke handschoenen aan).

Spullen sjouwen

Om ons middel hadden we een koppelriem, waaraan een rijstbaal van 2,5 kilo en een veldfles water kwamen te hangen. De rest van de spullen sjouwden we in een onopvallende Bundeswehr-rugzak mee, die zelf al wat gewicht had. Onderin de rugzak lag een rijstbaal van 3 kilo.  Daarop stond een tas met daarin drie camera’s, twee lange draad-ontspanners, extra filmrolletjes en een belichtingsmeter.

Op de foto 5: 5,5 kilo rijst om de boel te stabiliseren – Foto: ©Anja Arentzen

Hobby of gekkenwerk

Naast de cameratas stond een telelens (de 600 mm-lens kon in twee delen vervoerd worden; soms hadden we in verband met verwachte ‘slechte’ lichtomstandigheden zelfs nog een 400 mm-lens erbij!). Behalve handschoenen en camouflagenet(ten) ging er in ruime mate eten mee plus drinken (twee thermoskannen met pepermuntthee, en op niet te koude dagen als extra dorstlesser blikjes frisdrank). Het aanzitstoeltje hing aan riempjes bovenop de rugzak. Al met al sjouwden we zeker zo’n vijftien kilo mee. En dat alles voor een hobby. Gekkenwerk? Misschien wel, ja.

Lees ook:  Veldwerk op de Hoge Veluwe – Deel 3

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.de-veluwenaar.nl/2018/12/05/veldwerk-op-de-hoge-veluwe-deel-2/