Veldwerk op de Hoge Veluwe – Deel 1

Bevlogen beginnelingen…

Natuurlijk, ook ik stapte met open ogen in de valkuil waarin al zoveel enthousiastelingen terecht zijn gekomen. Het was ergens in de jaren ’70 in het Nationale Park De Hoge Veluwe, toen ik tijdens een vakantie voor het eerst van mijn leven bewust roodwild zag.

Stom genoeg riep ik tijdens het witte-fietsrondje vol enthousiasme ‘Herten! Herten!’, terwijl het toch echt kaalwild was, dat van de Eikehoutbergen via het Braamsveld noordwaarts draafde. Dat de dieren prompt hun koers verlegden en in galop het open veld over denderden als gevolg van mijn geroep vond ik maar wat jammer.

J.R.J. Planta met het boek “Wild zien

De inmiddels overleden J.R.J. Planta(†) met het boek “Wild zien” – Foto: ©Louis Fraanje

Wild zien

De ontmoeting duurde mij veel te kort. En ik had me nog wel zo goed voorbereid, dacht ik: tweemaal het uit de bieb geleende boek “Wild zien” van A. Langenbach en J.R.J.  Planta(†) uit en te na bestudeerd en ook nog eens aantekeningen gemaakt – want in de winkel was het boek toen al lang niet meer te koop.

Ik had moeten weten, dat je je juist ONopvallend moet gedragen in het veld. Tja, het enthousiasme won het op dat moment glansrijk van het verstand.

 

Uren dwalen

Hoewel die eerste bewuste ontmoeting met roodwild naar meer smaakte, duurde het enkele jaren voordat wij – vader, moeder, zus Anja en ik – daadwerkelijk op de Veluwe kwamen te wonen en een jaarkaart namen om ons ‘grootgrondbezitter’ te kunnen wanen op dagen, dat het op De Hoge Veluwe zo rustig was dat je uren kon dwalen zonder een mens tegen te komen. Wild zien vonden we geen verplicht nummer, maar zagen we als kers op de taart.

Dankzij het alweer uit de bieb geleende en nog net niet letterlijk verslonden “Wild zien” leerden we bewust om ons heen te kijken, te observeren, aantekeningen te maken en… raakten Anja en ik enthousiast voor ‘een nieuwe tak van sport’ in de fotografie. Begonnen met het op de plaat zetten van beelden, gebouwen, landschappen en af en toe eens wat plantjes in de stadse achtertuin moesten we de zaken nu toch echt wel wat grootser gaan aanpakken.

Eerst maar simpele beestjes in de lens vangen – Foto: ©Yvonne Arentzen

Camera en camouflage

De bescheiden foto-uitrusting groeide dankzij fotozaken met een aardig tweedehandsaanbod stukje bij beetje via korte telelenzen (135 mm, 200 mm) uit tot een verzameling met betere camera’s en objectieven vanaf groothoek- (28 mm) tot echte telelens (600 mm). Handwerken – op de lagere school bepaald niet geliefd bij ons – kwam eindelijk eens van pas – en hoe: statieven en objectieven waren destijds niet alleen zwaar (veel glas en metaal), maar hadden ook de onhebbelijke neiging zonlicht in ruime mate te weerkaatsen.

Kortom, zat je ergens onder een boom(pje) of tussen wat lage vliegdennetjes verscholen, stond de glimmende foto-uitrusting garant voor een mislukte aanzit. Heel wat uren hebben we doorgebracht met het in elkaar zetten van camouflagemateriaal. Op de markt scoorden we lappen groene stof, bij een dumpzaak camouflagenet en bij de plaatselijke jachtwinkel afgedankte geweerkolven, die Anja heel handig wist om te toveren in stabiele schouder-statieven voor camera met telelens.

Goede camouflage is goud waard – Foto: ©Yvonne Arentzen

Goed kijken

Onbedoeld trokken onze verrichtingen in het veld de aandacht. In de jaren ’80 waren er namelijk niet echt veel vrouwen die zich met een telelens en (schouder)statief in het veld waagden om wild te fotograferen. Nog gekker was het op snikhete zomeravonden in een greppel aan de rand van het bos te gaan liggen met handschoenen aan. De bevreemde blik van een incidentele wandelaar, die ons op zo’n avond in de greppel bij de Reemsterdennen ontdekte, sprak boekdelen.

De jachtopzichters van De Hoge Veluwe kregen uiteraard vanzelf in de gaten, waar wij bij voorkeur vertoefden of wandelden. Als beginnend en ambitieus natuurfotografen raakten we in het veld wel eens in gesprek met een van hen. In het begin hadden ze allemaal de instelling: eerst de kat uit de boom kijken en zien wat voor vlees we in de kuip hebben. Toen eenmaal duidelijk was, dat we er geenszins op uit waren de boel te verstoren, was het ijs wel gebroken. Zo voorzag jachtopzichter Jac. Planta(†) ons van nuttige tips en gaf hij als belangrijkste boodschap mee: wildfotografie is een kwestie van goed kijken en geduld hebben. Met zitten zie je meer dan met rondlopen. Dat was bepaald niet tegen dovemansoren gezegd!

Met zitten zie je meer dan met lopen – Foto: ©Anja Arentzen

Wildkansel en rietscherm

De plaatsen waar we in het begin heel wat uren doorbrachten, waren de inmiddels niet meer bestaande wildkansel De Klep in het bos aan de rand van het Zwarte Veld en de rietschermen bij Bospark Vogelvijvers (vervangen door Millelamel).

De wildkansel had een onmiskenbaar voordeel. Bij de rietschermen moest je (langdurig) staan om voldoende uitzicht op de voerplaats te hebben, de wildkansel was voorzien van zitbanken. Daar ging het aantekeningen maken dan ook heel wat makkelijker.

Beide observatieplaatsen hadden hun eigen ‘bezoekers’. Op het Zwarte Veld waren dat met name geweidragers die soms mooi dichtbij de wildkansel kwamen, Bospark Vogelvijvers had aanloop van kaalwild en ook wel van moeflons of reeën.

Notitieboekje

In een simpel boekje krabbelde ik met een potlood – want dat laat bij welke temperatuur dan ook altijd sporen op papier achter – wat we waar en wanneer zagen en waarmee de dieren zoal hun tijd doorbrachten. ’s Avonds werkte ik de aantekeningen in een ander notitieboekje uit.

Uren wachten

Het observeren van wild en van sporen, en het maken van aantekeningen begonnen na enige tijd vruchten af te werpen. We ontdekten vanaf paden en ook wel struinend – want toen mocht dat nog op De Hoge Veluwe – patronen in de trekroutes. In de buurt daarvan konden we zoeken naar een geschikte plek om ons zo klein mogelijk te maken en vaak vele uren te wachten op de eventuele komst van wild.

Wanneer urenlang geduld beloond werd – Foto: ©Anja Arentzen

Aanzitten 

Telkens weer bracht het aanzitten een prettige spanning met zich mee: welke dieren zouden er deze keer voorbij (kunnen) komen, welke vogels hielden onze aanwezigheid uit, zou de kraai die boven ons in de boom landde ons opmerken en met zijn kabaal de hele omgeving alarmeren.

En zou een wandelaar ons kunnen ontdekken, zaten we echt onder de wind en zou de wind niet in de loop van de dag gaan draaien, vanaf wanneer konden we een bepaalde kant niet op fotograferen omdat zonlicht via de binnenkant van de zonnekap rechtstreeks op de lens terechtkwam.
En wanneer kregen we te maken met tegenlicht boven de belangrijk(st)e wildwissels, hoe veranderden bewolking en het moment van de dag het licht?

Leerproces

Dat soort vragen en onvoorziene omstandigheden die achteraf toch wel te voorzien bleken bepaalden, of een aanzitplaats kansrijk was of niet. Een leerproces met vallen en opstaan. En de beruchte valkuil? Die heb ik wijselijk gelaten voor wat ie was. Het seintje ‘wild in aantocht’ bestond voortaan uit een duwtje tegen mede-fotografe Anja en een knikje met het voorhoofd in de richting van het geen ik had waargenomen.
Als Anja mij voor was, gaf zij mij dat duwtje. Van het een kwam het ander: een simpel maar doeltreffend gebarentaaltje, dat spreken – en dus verstoring – tot een minimum beperkte.

Lees ook: Veldwerk op de Hoge Veluwe – Deel 2

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.de-veluwenaar.nl/2018/12/04/veldwerk-op-de-veluwe-deel-1/